kelend trucjes-gebouw. Maar als de stof, waarin alleen het rechtsbesef groeiend leven brengt. De rechts-student behoort te worden tot eenen rechts-beseffer, tot eenen rechts-belijder. Die, waar ook later werkzaam, het recht erkent en aanwendt als een macht in de maatschappelijke verstandhouding. Een academisch rechts-onderwijs, gelijk ik mij dit voorstel, staat niet vijandig tegenover de practijk des levens. Staat de practijk onzer dagen vijandig tegenover dit onderwijs? Te erger voor de practijk.
Er wordt nu voortdurend geklaagd over te weinige wetenschappelijkheid van de rechtspraak. Zeldzaam zijn de sterk-gemotiveerde vonnissen, waarvan rechtskracht uitgaat. Geen wonder: de lagere rechters vinden hun eer en veiligheid hierin, dat zij zoo min mogelijk gecasseerd worden. En de Hooge Raad vat zijne cassatie-taak niet zoo ruim mogelijk, maar zoo eng mogelijk op. Belangrijke rechtsvragen worden eenvoudig verklaard tot in cassatie onaanvechtbare feitelijke beslissingen. Wat rechtspraak heet, is niet meer dan een soort van trucjes-orde, die geen redelijke kracht is in de maatschappelijke verstandhouding.
En de proefschriften. Het schrijven van een proefschrift is niet verplicht. De laatste Amsterdamsche studenten-almanak geeft zes-en-dertig stellin-gen-promoties, tegen vier proefschriften. Het zullen dus niet de minste studenten zijn, die met een proefschrift promoveeren. Welnu: hoevelen hunner zijn in de academiejaren sterk-persoonlijk genoeg geworden om zelf hun onderwerp te kiezen? Hoevelen toonen later wetenschappelijke belangstelling in een onderwerp, dat hen toch bezig hield in de beste jaren van hun leven?’
Daar stond Taverne voor heel de wereld te kijk, de professor, die n.b. zelf was gepromoveerd op ‘stellingen’. Stellingen, die De Haan zo vaak voor zoveel (voornamelijk Joodse) vrienden in één avond had geproduceerd, dat er gespot werd over J. I. de Haan ‘in promoties...’ Maar ook dit ageren en reageren kon hem uiteraard niet bevrijden van zijn pijnigende teleurstelling. Zo ooit in zijn leven dan was thans zijn eerzucht gekwetst. Zelfs de omstandigheid, dat hij veel bekwamer werd geacht dan al zijn potentiële mededingers, had hem immers niet kunnen bevrijden... waarvan eigenlijk? Onuitgesproken bezwaren hadden zijn klimmen in de maatschappij verhinderd. Oude littekens gingen trekken. Eén keer had hij alles willen doen om iets te bereiken in een wereld, die hem toch blijkbaar iets waard was geworden. Men had hem teruggewezen, waarom?
De ‘voyageur sans bagage’ kon zijn verleden niet stuksgewijze kwijtraken. In zijn Besliste Volzinnen had hij het eenmaal zó geformuleerd: ‘Als men zijn
160