Zeer waarde Heer Verwey, vandaag heb ik de kopij van mijn proefschrift voltooid, zooals ik die mij als definitief had voorgesteld. Behoudens gebrek aan medewerking van mijnen promotor hoop ik Dinsdag i Februari te promoveeren. U kunt dan het eerste Hoofdstuk in de Februari-aflevering plaatsen. Ik zal het u zoo spoedig het gezet is doen toekomen. Het lijkt mij wenschelijk, dat u vanaf i Februari voor de wetenschappelijke bijdragen den titel Mr. zet. Deze heeft geen andere waarde dan juist daarvoor. Ik zal nu weder geregeld medewerken, omdat ik het niet goed vind, dat de last voor een Tijdschrift, dat toch voor ons allen zoo een kostbaar bezit is, te zeer op u rust. Voor Januari hebt u mijne Joodsche gedichten en deze Boek-beoordeeling. Voor Februari desgewenscht het Eerste Hoofdstuk van mijn Proefschrift of een gedeelte daarvan. Daarna zal ik u de voorkeur laten van wat ik schrijf, behoudens eene enkele kleine bijdrage in het Weekblad van het Recht.
Nog vóór de dag der promotie is hij in gedachten al een fase verder: het privaatdocentschap. Binnen 9 maanden is het zover en spreekt hij ‘bij den aanvang zijner lessen als privaat-docent in de rechtskundige significa aan de Hoogeschool van Amsterdam’ zijn Openbare Les uit over Wezen en Taak der Rechtskundige Significa. Een schone dinsdag wederom, die 31ste oktober van dat gedenkwaardige jaar 1916. P. N. van Kampen & Zoon gaven het boekje uit, dat met zijn uitvoerige noten twee dicht bedrukte vellen druks omvatte.
Aan Verwey schrijft hij (9-7-1916):
De toelating als privaatdocent is verkregen. Het geeft wel meer werk, doch het was noodzakelijk. Ik denk in de laatste dagen van October mijn colleges aan te vangen met een openbare les over het Wezen en de Taak van de Rechtskundige Significa. Als u wilt kunt u deze lezing (25 a 30 bldz.) voor de November-aflevering van De Beweging krijgen. Ik kan ook wel belet vragen bij De Gids. Maar ik wil u gaarne de voorkeur laten.
Zo arrivé schijnt de toekomstige hoogleraar, dat hij zich thans de luxe meent te kunnen permitteren van de pressie. Vlug ja zeggen, anders wordt het De Gids. Zou de weigering van het paranymf-schap op deze wijze moeten worden afgereageerd? Hij, doctor Jacob Israël de Haan, privaatdocent aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam nu reeds, en daarstraks: hoogleraar, meent zich dit te kunnen permitteren tegenover de niet-aca-demicus op wie hij - de ‘autodidactische onderwijzer’ - zoals hij zich later
154