zelf noemt - in feite neerziet. Zoals hij later in de Nederlandse Zionisten Bond de geniale Nehemia de Lieme - een self-made man van nobele allure - openlijk achterstelde bij de hoogleraar Prof. Dr. L. S. Ornstein. ‘Dat is een man -die is wat!’
‘.. .de terugzending van mijn openbare les heeft mij veel leed gedaan. Ik had toch te voren overleg met u gepleegd omtrent de grootte en wat den in-houd betreft: u kon toch verwachten dat ik een zoo goed mogelijk stuk werk geven zou.
Nu heb ik het moeten publiceeren in De Gids. De redactie is zeer inschikkelijk geweest met de plaatsing. U hebt het mij 24 September teruggezonden en 1 Nov. stond het in De Gids ofschoon zij anders nooit een academische oratie plaatsen. Maar het geval heeft mij toch verdroten. Ik kreeg den indruk, dat u dacht, dat geen ander Tijdschrift mij als medewerker wenschte. En dat is niet zoo. De zaak is, dat er voor mij iets veranderd is in mijne verhouding tot De Beweging. Ik beschouwde deze als eene geheel geestelijke verhouding, en nu voel ik medewerking aan andere tijdschriften niet meer zoo sterk als een bezwaar.’
Ondertussen werkt de academische docent aan zijn colleges, die hij gewetensvol voorbereidt en geeft. Hij leest alleen wijsbegeerte en significa. ‘Dan blijft de sfeer zuiver’, zoals hij ergens aan Van Eeden schrijft. Zijn studie Rechtskundige Significa, die in het voorjaar van 1919 bij N.V. Johannes Müller te Amsterdam verscheen (de schrijver was toen reeds in Jeruzalem; een huldigingscomité bracht het voor de uitgave benodigde geld bijeen) bevat de collegestof over de gehele periode van ruim twee jaar.
De pianiste Henriëtte Roll, die aanvankelijk aarzelde als buitenstaandster zijn academische voordrachten te volgen, ging uiteindelijk toch. ‘Hij doceerde zóó duidelijk, zóó klaar, dat het mij was of hij een, mij zeer vertrouwd, onderwerp behandelde.’ Hij was inderdaad een begenadigd docent op nagenoeg alle onderwijsfronten. Aan zulke arbeid gaf hij zich met de volstrekte inzet van zijn ongewone persoonlijkheid. Hoe veel te meer op deze plaats, in deze studierichting - met dit perspectief.
Zijn werkkracht grenst in deze dagen aan het ongelofelijke. Als hij ongeveer in de herfst van 1917 eigenhandig een lijst van zijn ruim 50 geschriften typt (zulks ten behoeve van het komende hoogleraarschap) dan beangstigt ons bijna het aantal publikaties over de jaren 1916 en 1917. Zien wij af van zijn Proefschrift en zijn Openbare Les dan blijven er nog over:
Burgerrechtelijke significa (Rechtsgeleerd Magazijn, pag. 190-208) 1917
155