en voorts wat de organische, traps- of laagsgewijze struktuur onzer taalmiddelen aangaat.
Het eerstbedoelde gezichtspunt vormt het hoofdthema van zijn proefschrift van 1916 en is misschien wel het scherpst door hem onder woorden gebracht in de passage op pag. 87-89, waarin hij de waarde van de wiskundige sig nifiek (door Brouwer in diens proefschrift van 1903 over de grondslagen der wiskunde geïnaugureerd) voor de rechtskundige significa uiteenzet.
Het tweede, zoeven genoemde facet van de analytische zowel als van de synthetische signifika (de onderscheiding is van De Haan afkomstig) is niet door hem in een zijner publikaties afzonderlijk en in details belicht, maar komt merkwaardigerwijs tot uitdrukking in een stuk, dat zijn onderschrift niet draagt, te weten in het in No 2 van de Mededeelingen van het Internationaal Instituut voor Wijsbegeerte te Amsterdam opgenomen opstel, getiteld ‘Signifisch taalonderzoek’, waarin als een der voornaamste onderdelen van de taak der te stichten ‘Akademie’ het nader bestuderen van bedoelde ‘laagstruktuur’ (of ‘gradatie’) der Taalmiddelen wordt aangegeven. Dit stuk, dat als een soort beginsel- en werkprogram voor de (nog altijd toekomstige!) Akademie is bedoeld, was het resultaat van langdurige besprekingen tussen de toenmalige leden van de ‘Raad van Bewindvoerders’: Borel, Brouwer, Van Eeden, De Haan en ondergetekende, maar de vaststelling der eindredactie geschiedde toevallig in de eerste vergadering (op 21 Januari 1919) waaraan De Haan, die wegens zijn aanstaand vertrek naar Palestina was uitgetreden, niet meer deelnam.
Na zovele jaren blijkt uit dit schrijven de historische betekenis van Jacob Israël de Haan als pionier op dit speciale en specialistische gebied. Ook al is reeds toentertijd de intrinsieke waarde van vele zijner publikaties zeer kritisch gewaardeerd. O.m. door zijn vriend L. E. J. Brouwer, die De Haans proefschrift uitermate scherp zou beoordelen. Maar zelfs het negatief gestemde essay van Mr. G. C. J. J. van den Bergh (Themis, 1964), dat retrospectief Jacob Israëls studies op het gebied van de rechtstaal (‘in toeleg en falen’) in hun totaal beoordeelt, eindigt met een positieve conclusie.
Dit alles ontslaat ook ons nochtans niet van de plicht vast te stellen, dat er aan zijn beschouwingen wijsgerig en taalkundig een degelijk fundament ontbrak. Hij bleef op dit terrein - als pionier - de dilettant, die er ook echt van genoot! Maar juist dit ‘genot’ moest buitenstaanders argwanend maken. Was het niet opvallend, dat hij altijd bleef wroeten binnen de enge cirkel van ‘aansprakelijk, verantwoordelijk en toerekeningsvatbaar’? Van 1906
152