8-12-09
Mijn zeer waarde Meester Verwey, ik ben heel blij, dat de Beweging blijft bestaan. Het gaat mij tegenwoordig geldelijk goed. Ik ben repetitor en heb al goed wat repetenten. Daarom behoeft u mij voor bijdragen in de Beweging geen geld te zenden. Het maakt mij blij, dat ik tenminste iets voor het Tijdschrift kan doen. Ik zal twee, misschien drie abonnementen nemen. Ik wou, dat ik veel meer geld geven kon. Wellicht later.
Ik zei u immers, dat het mij nogal goed gaat? Maar ik ben voortdurend ziek in mijn zenuwen. Dat hindert mij zeer in het werk. Van mijn artikel in het Tijdschrift voor Strafrecht zal ik u een exemplaar zenden. Ik denk: het zal u genoegen doen. In het strafrecht ben ik vrij ver gevorderd. Ik zal misschien eens wat voor De Beweging zenden. Maar ik moet ook goed mijne dissertatie maken. Het is al zoovele jaren geleden, dat ik in Noord-wijk bij u was. Ik wilde wel gaarne eens weder komen. Zou het u schikken na het Nieuwe jaar?
Zijn dissertatie, zo weten wij reeds, zou handelen over rechtskundige significa, en met dit laatste zijn wij genaderd tot de kern van Jacob Israëls wijsgerige, taalkundige, juridische studiën. Kort gezegd ging het om de waarde van woorden als uitdrukkingsmiddelen, speciaal in de rechtskundige wetenschap. Reeds vrij vroeg was hij door zijn contact met Frederik van Eeden tot de publikaties van Lady Victoria Welby gekomen en speciaal tot haar twee boeken: What is Meaning ? (1903) en Significs and Language (i9n). Persoonlijk contact met deze merkwaardige vrouw heeft hij niet mogen hebben. In januari 1912 schrijft hij Van Eeden (n-1-1912):
Beste Van Eeden, hierbij zend ik je met vriendelijke dank het boek van Lady Welby weerom. Ik bezit het nu zelf. Ik heb het geheel en al goed bestudeerd en vind het een sterk, bijzonder boek. Op ’t oogenblik kan ik zeer weinig werken. Maar ik hoop over het boek te kunnen en te mogen schrijven in het Weekblad van het Recht. Dat zal ik je dan sturen.
En even verder:
Ik zal Lady Welby eenen Engelschen brief schrijven, omdat jij dat beter vindt dan als ik ’t niet doe. Maar ik zie er erg tegen op.
Hij krijgt antwoord en wel spoedig, want reeds op 25-1-1912 reageert hij tegenover Van Eeden:
148