en doctoraal wist te slepen. Een raar heerschap, vreemd gekleed en voorlopig wonende in de Palestrinastraat 27 te Amsterdam, waar ook zijn vrouw nog praktijk uitoefende, speciaal voor vrouwen.
Het aantal zijner repetenten moet, gerekend over de periode tussen 1909 en 1919, honderden hebben bedragen. Van de vroege morgen tot de late avond kwamen ze zich melden. Soms 12 per dag! Ze kwamen graag, hoewel hij als docent hoge eisen stelde en niet zelden scherp reageerde. De pianiste Hen-riëtte Roll hoorde hem eens bars zeggen tot een student: ‘Meneer, zoudt U het slapen niet liever uitstellen tot ’s nachts V
Aan Verwey schrijft hij (ongedateerd):
‘Ik kan hier als repetitor voor privaatrecht en strafrecht zooveel lessen krijgen als ik maar hebben wil. ’t Is wel voordeelig en na zoovele jaren van zuinigheid, ja zelfs van armoede, geloof ik, dat men vergeven kan, dat ik veel lessen geef. Maar ’t is een beetje een gouden val. Gauw erin, moeilijk daaruit. De zomer is nu zoo mooi en het Vondelpark zoo heerlijk. En of je nu wat meer geld hebt of wat minder, ’t gaat toch door de handen heen. Ik kan het niet bewaren. Liever zou ik dus wat meer genieten van de poëzie en de natuur.
En een andere keer (3-11-1910):
Prettig, dat u mijn opstel over de statistiek waardeerde. Het lokte een antwoord uit van Mr. de Roos, den chef van de statistiek in Den Haag. Ik repliceer in het volgende nummer. Het is jammer, dat ik zoo weinig tijd heb. Ik heb zovele lessen. Gemiddeld per maand voor ƒ 400.— a ƒ 500.— gulden. Dat is niet vol te houden. En dat is mijne bedoeling ook niet. Ik neem geen nieuwe repetenten meer aan. Mijn hart is vol. Ik heb veel geleden. Dat weet u. En ik weet, dat u mij veel bemoedigd hebt. En ik gedenk het dankbaar.
Het gaat hem goed, hij wil het weten en anderen doen weten. Vooral die enkele, die*hem nooit in de steek had gelaten, ook al bleef in dit geval vriendschap achterwege. Of had juist dit tekort hem deze ene maal in zijn leven behoed voor een teveel]
‘Het gaat mij goed. Ik heb veel repetenten en word door hen gewaardeerd. Ik heb het wel eens minder goed gehad...’ (30-12-1909). Een paar weken tevoren was de ongekunstelde Jacob Israël weer eens uit de grondverf gekomen, toen hij naar Noordwijk schreef:
147