Blijft de vraag: waarom koos hij deze rechtenstudie! Is het te gewaagd hier allereerst aan een psychologische verklaring te denken! Een eigenaardigheid kenmerkte Jacob Israël de Haan niet minder dan zijn vader Izak en meerderen uit diens familie en gezin. Een zonderling mengsel van koppigheid en starheid, een nimmer aflatende neiging tot het forceren van botsingen beheersten het leven van deze dichter sedert zijn vroegste jeugd. Zowel hij als zijn zuster Carry waren befaamd om hun ziekelijke belangstelling voor reglementen van orde. De oude gazzen had zich daarmee in Gorredijk al onledig gehouden. De grenzen van maatschappelijke vraagstukken boeiden de jonge onderwijzer vaak meer dan de toon van zijn ex-troverte brieven zou doen vermoeden. Het is maar ten dele juist zijn problematiek (wij denken b.v. aan Pijpelijntjes en de gevolgen daarvan) uitsluitend te willen beredeneren van onze objectieve maatstaven uit. En dan nog gebaseerd dit alles op zijn romantisch-gestemde uitingen. Ergens moet de geaberreerde jongen gedurig hebben genoten van het stof, dat hij deed opwaaien. Hij zocht het! En eenmaal op weg ging hij onverdroten door.
De Open Brief tegen Tak is een opmerkelijk staal van zijn strijdmethoden, die in een hoogst-persoonlijke sfeer naar buiten de indruk moesten wekken, dat de gehele wereld hem heeft gekwetst, verongelijkt, verstoten. Over de merites van de kwestie zelf wordt nauwelijks meer gesproken. Jacob de Haan dacht allang weer aan Pijpelijntjes II en even later aan Pathologieên.
Er moet in dit verband worden vastgesteld, dat het ook deze Pijpelijntjes-affaire is geweest, die hem in de richting heeft gestuwd van de Significa. Hij was naar zijn eigen woorden (tot P. L. Tak gericht) omtreeks 1905 ‘geen moralist, (maar) een zoo goed mogelijk litterator, en een sterk student in mijn vak...’ Dat laatste was hij inderdaad en werd hij meer en meer. Vooral na het candidaats houden abstracte vraagstukken van het recht hem steeds sterker bezig. Het zijn de jaren tevens van zijn worsteling met de strenge Rebbe uit Noordwijk. Al voor zijn doctoraal is hij bezig met zijn proefschrift. Het is volkomen terecht als hij neerschrijft tien jaren aan zijn dissertatie te hebben gearbeid. Weinigen konden vermoeden, wat zich in dat decennium (1905-1916) had afgespeeld in dit hoofd, dat zich bovenal pijnigde met de problemen van het eigen ik.
In 1905 en later waren vraagstukken van ‘Aansprakelijk, Verantwoordelijk en Toerekeningsvatbaar’ wrange werkelijkheid in een leven, dat hij zelf (om een woord van De Haan te gebruiken) ‘geknoeid’ had. Wie was nu aansprakelijk, hij of Aletrino! Wie was verantwoordelijk? En hoe stond het met de toerekeningsvatbaarheid van zijn eigen geschonden persoonlijkheid, die werd verteerd van angst voor blindheid en krankzinnigheid.
144