Zeer waarde Heer Verwey, de reis naar Rusland is nu wel bijna zeker. Een bezwaar was de godsdienst op mijn paspoort. Ik heb ditmaal valschelijk opgegeven: gereformeerd. Natuurlijk, dat de consul, die van den zomer mijn paspoort heeft geviseerd... dit valsch ding niet zou hebben geviseerd. Vandaag heeft de Gezant in den Haag het gedaan. Zou hij van niets weten I Hij zal mij nog eenen brief sturen voor de douanen, opdat ik geen last hebbe bij de visitatie. Het is haast al te mooi om er geen verraad achter te zoeken. Of is hij geïmponeerd door mijn relaties met de Keizerlijke familie. Wilt u dezen brief dadelijk verscheuren!
Een week later luidt het:
Amsterdam, 14-2-13.
Zeer waarde Heer Verwey, morgenavond vertrek ik naar Petersburg. Maar onder zeer slechte auspiciën. De Russische gezant in den Haag had mij beloofd een laisser-passer voor de Russische douane. Dat is altijd gemakkelijk. Nu schrijft de secretaris van de legatie mij, dat zij naar Petersburg hebben getelegrafeerd en dat zij na een telegram terug, mij het laisser-passer niet kunnen geven. Ik vrees, dat ik de grens nu niet over zal komen ofschoon mijn pas in orde is. In den nacht van Zondag op Maandag passeeren wij de grens. In Parijs hoorde ik al van iemand, die alles weet, wat in Petersburg gebeurt, dat men op mij loert. Ik zal geen enkel papier kunnen meenemen. Ik ga toch: zonder vrees en zonder vertrouwen.
Vaarwel en tot weerziens. De uwe
Jacob Israël de Haan
En dan tenslotte na de reis:
Amsterdam, 10—3—'13.
Zeer waarde Heer Verwey, over mijn Russische reis, die mislukte, mislukken moest, ontvangt u nog iets voor De Beweging. Alleen kan ik lang niet alles publiceeren. Het is mij te Petersburg duidelijk gezegd: Georges is een soort gijzelaar voor de trust van zijn broer, een bekenden terrorist en van mij. Men laat hem niet los. De Russische Regeering denkt, dat ik het middelpunt ben van revolutionnaire voorbereidingen. Ik ben hier in P. nauwlettend bewaakt en gevolgd. Zij zijn eenigszins met mij verlegen. Ik had introducties en aanbevelingen van de Koningin van Rumenië en de Konin-gin-Weduwe van Engeland, die zich voor Georges interesseeren. Ook had ik introducties voor een zwager van den Tsaar, voor Graaf Witte en anderen. Maar ’t hielp niets. De chef van de politie, de generaal Djounkorsky,
137