over den onhoudbaren toestand in de Russische gevangenissen. De Russen raden aan vooral kalm en objectief te schrijven. Niet een beroep te doen op politieke gevoelens, maar op gevoelens van menschelijkheid. Laat vooral niet merken, dat ik er zelf achter zit. Ik heb nog niet geheel met de Russische Regeering gebroken. Morgen moet ik naar een neef en nicht van den Tsaar gaan. Ik heb introducties voor hen en een gekleede jas. Zij ontvangen mij. Maar of het veel geven zal’ De Russen vertrouwen op je steun en op je invloed. Heb je geen relaties bij de groote bladen in Parijs I Dillon wil niets publiceeren in de Daily Telegraph. Zaterdagavond laat ben ik weer thuis. Van de stad zie ik absoluut niets. Hoe gaat Paul’ Ik heb nu al twee rijtuigen schuld bij je. Wij vertrouwen op je. Ik schrijf ook aan Zangwill. Veel liefs in haast van
Joop
De resultaten blijven pover! Op 15 januari 1913 luidt het uit Amsterdam:
De Russische zaken gaan om te huilen slecht. Ik heb nog van niemand uit St. Petersburg antwoord gehad, en er is nog meer slechts gebeurd. Ik voel mij ellendig. Ik kan niet beschrijven hoe. Maar wat doet dat er toe? Heb je al iets van de Frankfurter Zeitung gehoord? Nu iets zeer belangrijks: kun je mij een onderhoud bezorgen met den Heer Mendelssohn, den Duitschen bankier? Ik stel daar zulk een hoogen prijs op, dat ik daarvoor alleen naar Berlijn zou willen gaan, zelfs al ging ik niet naar St. Petersburg. Nog is alles niet verloren.
Als hij omstreeks die dagen wederom denkt aan een nieuwe reis naar het barre Oosten, schrijft hij Albert Verwey:
Zeer waarde Heer Verwey, u zult er misschien van ophooren, maar waarschijnlijk ga ik binnen een maand weer naar St. Petersburg, teneinde daar werkzaam te zijn in het belang van de gevangenen in het algemeen en in het belang van Georges D. en Joseph Minor in het bijzonder. Ik heb eene goede aanbeveling voor Prins Peter van Oldenburg, eenen zwager van den Tsaar. Ik heb hem reeds geschreven en hij wil mij gaarne ontvangen. Wellicht krijg ik nog meerdere aanbevelingen. Graaf Witte wil mij ook helpen. Ofschoon ik zeer tegen de reis opzie, dien ik nu toch te gaan. Er zijn te groote belangen mee gemoeid. Maar ik ga nu juist niet de coeur léger.
Drie weken later vervolgt hij:
136