daarin te vertellen. Ik ook niet maar ik wil toch niet zwijgen. Ik word boos als ik er over denk. Geld is niet genoeg. Zooveel weduwen en weezen. Wat geeft ’t of we ’t Transvaalsch volkslied zingen, en wat geld geven. Maar ’t is toch goed. Vandaag was hier een professor uit Melbourne, ’t leek wel een straatveger, neen die zijn nog netter. En ze winnen ’t toch niet, nooit. Gelooft U toch niet alles, wat de menschen zeggen van grote verliezen der Boeren, ’t is nooit waar.
Alle menschen liegen, maar een Engelschman liegt voor twee, en nu wel voor tien.
Freek heeft een lijst voor giften er wordt wel goed gegeven. Dat vind ik aardig en goed van Freek. Hij wil ieder helpen, maar hij kan niet diep genoeg in iemand lezen, daarom helpt hij verkeerd. Zijn bedoeling is goed en vriendelijk, maar ik zal nooit meer zooveel van hem houden als vroeger. Hij weet dat wel, ook dat hij noch ik dat helpen kunnen. Wij passen niet recht bij elkaar. Hij heeft veel goeds. Ik heb ook wel wat goeds, maar niemand kan van mij houden. Ik van bijna niemand. Maar ik houd wel heel veel van U. U moet eens lezen, bldz. 4 van de Bloemlezing, onder aan. Zoo is ’t precies. Niet anders. Ik vind ’t verdrietig, dat ik de menschen zoo liefdeloos beoordeel. Carolien ook. Ik heb een brief gelezen, dien zij Freek had geschreven. Ik zou hem u graag eens sturen, maar Freek zal hem niet geven. Ik wil ’t niet vragen. Als ’t Kerstvacantie is, wil ik heel graag bij u komen. De eerste Zondag in de vacantie. U is toch niet boos. Als ’t getal honderd, die meer recht hebben op een brief van mijn Frederik van Eeden dan ik, sinds Maart niet grooter is geworden, krijg ik misschien wel een brief. Maar ik kan ook wel wachten, en heelemaal moogt u niet denken, dat ik ongeduldig ben. Ik wou, dat U voor mij zoudt wezen, wat ik voor U ben, maar dat kan niet. Maar misschien wilt u iets voor mij zijn.
Ik heb Ellen goed gelezen, heel goed, en ’t nog eens voorgelezen aan iemand, die niet zien kan, wat Frederik van Eeden gaf, maar ik ben zoo bang, dat er iets zal komen, tusschen mij en U.
Koo zei ’t vanmiddag, maar ik wil ’t niet hooren. Een jaar is voor mij, die naar lichaam en geest zoo ziekelijk ben, heel veel maar ik houd nog meer van U dan vroeger, dan van iemand.
Van Kloos heb ik ook wat gelezen, maar ik kan ‘Van Kind en God’ niet krijgen, scheldereien genoeg. Kloos moet zich schamen, als hij zijn verweer leest; hij moet ’t niet doen.
Hij is niet de Mensch in van Kind en God, maar een kleine akelige buurjongen als hij zoo tekeer gaat tegen menschen, moreel op ’t oogenblik zoo heel veel hooger staand. Jeanne Reijneke kan veel voor hem doen. Ik zou graag
122