En dat was juist! Maar gezien van de andere zijde? Wij weten al lang, dat ook deze verhouding uiterst problematische uren had gekend. Had het anders gekund bij twee zulke extroverte, egocentrische naturen? Nochtans dient hierbij de kanttekening te worden gemaakt, dat in de talloze brieven van Jacob Israël de Haan aan Van Eeden, deze veelkantige Jood ongekend nobel naar voren komt. Zelfs zijn mateloos ‘geven’, dat zo dikwijls - hoe goed bedoeld ook - afstotend blijkt te werken, blijft hier bijna altijd natuurlijken acceptabel.
Een hoogst persoonlijke bron voor de kennis van zijn leven, deze tientallen epistels, waarin gedurig iets aanwezig blijkt van een menselijke bewogenheid, die niet alleen verklaard kan worden uit gevoelens binnen de sector van vriendschappelijke aanhankelijkheid. Als het ‘Beste Mijnheer’ van de eerste brief is veranderd in ‘Lieve Free‘, en het ‘Lieve Free’ wordt genuanceerd tot ‘Van Eedentje’, zal Frederik van Eeden zich extra op zijn hoede hebben gevoeld. Albert Verwey vond het ook maar raar! De strenge meester wees Jacob Israël echter de moeilijke weg naar een ik, dat hij nog niet eens zelf vermoedde. De vertrouwde vriend, wiens ‘ziekelijke gemoedsver-tedering’ anderen zo vaak irriteerde, liet de worstelende Joodse jongeman binnen de cirkel van zijn persoonlijke eigenaardigheden en trok zich terug op de momenten, dat deze voor hem zelf consequenties konden meebrengen.
Wij vergelijken de brieven van Jacob Israël aan Van Eeden met die aan Verwey. Geen enkele creatieve invloed van de eerste wordt merkbaar op het wordende oeuvre van een dichter, wiens eigenaardige scheppingskracht door Verwey in 1903 intuïtief wordt aangevoeld. Maar als De Haan reeds lang de dichter van het Joodse lied in deze lage landen is geworden, komt Van Eeden met een tomeloze waardering, die alle grenzen der redelijkheid te buiten gaat (opgenomen in Langs den Weg, pag. 37):
‘Geen natie bestaat er, van zoo groote eenheid, van zoo innig rasbesef, als het Joodsche volk. En ik weet geen enkelen nationalen dichter die zulk sterk, zulk noodwendig werk maakt als Jacob Israël de Haan.
De Jooden moogen zich assimileeren, ze moogen in de verschillende naties de nationale deugden en kwaliteiten met hun eigen Joodsche kracht tot expressie brengen, ze moogen zelfs als vijanden elkaar bekampen, ieder in zijn eigen nationaliteit - toch blijven ze één joodsch ras, met onmiskenbare joodsche eigenschappen, waarvoor maar één gevaar dreigt, waarvoor dan ook even ernstig wordt gewaarschuuwd als bij alle zuivere rassen: vermenging met vreemden. Hier ligt de grootheid en het bijzondere van De Haan’s verzen, en zijne zwakte.
120