recht niet! Maar toch bleef ook hij het glibberige aanvoelen van deze zonderlinge en zonderling begaafde dichter. Die eenmaal met een makker op het duin in Noordwijk verscheen en tot hem durfde zeggen: ‘Mag ik U mijn schendknaap voorstellen ... 1’
Hij bleef op afstand en reageerde niet op Jacob Israëls vragen naar zijn oordeel over de beide gedichten in de Almanak van Greshoff, die Sabbath verbond aan Thomas van Aquino, de Heilige Sabbath aan de Heilige Doctor Ange-licus.
Maar toen De Haan Albert Verwey uitnodigde als paranymf op te treden bij zijn promotie op dinsdag i februari 1916, weigerde deze. Jacob Israël liet niet af. Die dinsdagochtend telegrafeerde hij uit Amsterdam de mededeling, dat er nog geen plaatsvervanger was verkozen. Er kwam geen antwoord!
‘Zóó is dan Albert Verwey mijn goede en strenge Meester geweest. Maar nooit een nabij en vertrouwd Vriend. Dat was Frederik van Eeden ... ’
118