noem ik kadosj, dat ‘heilig’ beteekent, maar ook ‘schandjongen’ en in eenen vrouwelijken vorm ‘ontuchtige vrouw.’
Het begrip was hem dartel geworden in zijn troebele gedachten. Hij kon er mee spelen en - wat essentiëler was - hij kon het gebruiken zonder dat iemand hem kon betrappen. Pi/peij/nf/es-in-het-klein, die alleen voor hem duidelijk waren en die, eenmaal gepubliceerd, geen enkele consequentie met zich droegen. Zo schreef hij het gedicht ‘Mijn Heilige’, dat in De Beweging zou worden gepubliceerd.
MIJN HEILIGE
Bretonsch gebruik: iederen avond leest De vader van ’t gezin met vrome stem Over den Heiige van dien dag, wat hem Verlokking, wijding, weerstand is geweest.
Een visschersjongen had mij meegenood Beschroomd in zijn gezin, toen sprak de vader:
‘Wees welkom, zet u met mijn kindren nader,
En hoort wie heden vroom waren en groot.’
De jongen bloosde: ‘Mijn Heiige is Sint-Yves;
Wie de uwe, zeker een heel vrome en lieve ?
Wat heeft zijn droomen en daden gewijd?’
‘Al wie lief en schoon was heb ik aanbeden,’
Was mijn wederwoord: ‘vaak dwaalde ik, maar heden Weet ik zeker, dat gij mijn Heiige zijt.’
Als het niet gauw genoeg is geplaatst, wordt hij ongeduldig. ‘Ik heb u verleden jaar een gedicht gestuurd “Mijn Heilige” dat u plaatsen zoudt. Daar dit gedicht niet werd geplaatst en andere latere wel, vraag ik u: is de copy verloren gegaan, of wellicht vergeten? In ’t eerste geval zal ik u een andere copy zenden.’ (2-9-19n)
Eerder (3-4-12) benaderde hij Verwey om plaatsing voor dit gedicht tezamen met een hymne voor het Joods Nationaal Fonds, dat zijn tienjarig bestaan zou vieren.
Wie vermoedde perverse instincten achter dit alles? Albert Verwey eerst
117