nietigend en vernederend zijn als het geval was met de Jacob de Haan van Pijpelijntjes anno 1904?
De enkele brieven van Frederik van Eeden, die ons resten, ademen een geest van weerzin. Onbegrijpelijk hard tegenover de altijd gevende vriendschap van de spontane Joop, die soms snakt naar een menselijk woord, dat hem juist op de beslissende momenten wordt onthouden.
Alleen de dichterlijke filosoof van Noordwijk bood de verproletariseerde outcast de helpende hand. Niet door hem te stijven in zijn onmogelijke grillen maar door in hem te geloven en hem zelf deelgenoot te maken van dit geloof in het uiteindelijke dichterschap.
Verwey wil geen Fijne Fragmenten, die kwalijk rieken naar Pijpelijntjes en Patholo-gieên. Hij wil gedichten, Joodse gedichten, op het spoor van het Spel van verwoest Jeruzalem. Tegen het eind van 1908 is De Haan bijna zo ver. Hij schrijft van Amsterdam, Palestrinastraat 27, gedateerd 2-11-1908:
Ik sta buiten de Beweging, maar ik juich uw tijdschrift zeer toe. Het wint aan invloed, wellicht niet op de groote hoop, maar op de kunstenaars. Ze voelen zich niet veilig meer. Er komt onrust. Ik niet, want mij deert de Beweging niet. Uw tijdschrift is natuurlijk een verschijnsel, een gevolg van verandering, in mindere mate een oorzaak van verandering. Het is als de draad, die in de oplossing hangt en waaromheen zich nu kristallen afzetten. Een klacht heb ik over de gedichten dikwijls. Ik vind ze zoo zwaar. Laat ik zeggen, dat ik uwe jeugdgedichten dikwijls mooier vind. Maar ik ben wat moew en het valt mij moeilijk duidelijk te zijn. Ik zou het prettig vinden als u dit gedicht van mij in uw tijdschrift plaatsen wildet of het mij anders terug zenden wildet. Ik zal ook tevreden zijn als u er mooie dingen in vindt. Mijne kleine gedichten bevielen u niet. Mijn grooter gedicht ‘Verwoest Jeruzalem’ beviel u zeer. Ik hoop, dat u ook dit gedicht goed zult vinden, al bent u wel verwend.
U hebt mij indertijd geschreven, dat ik maar rustig werken moest en dat, als ik maar eerlijk bleef, ik ook wel waardeering vinden zou. Zoo is het ook gebeurd. Inderdaad word ik nu vrij sterk gewaardeerd. Ook u dank ik voor de lof en de blaam, die mij goed heeft gedaan, die u mij af en toe sinds nu wel 6 jaren ruim hebt gegeven.
Dat ik u zeer waardeer zult u gelooven.
Ik hoop op eenen brief van u en ben met beste groeten uw zeer dienstwillige
Jacob Israël de Haan.
En dan de triomf van het aanvaard worden:
114