zie en gaarne zie. Goddank, dat haar werk niet achteruit gaat. Het wordt minder natuurlijk en meer kunstvol. Jammer, dat zoovele dichters haar prijzen. Weet u, dat Van Eeden in haar huis komt te wonen 1 Ik heb hem in een jaar ongeveer niet gezien. Het is zoó, dat ik niet veel behoefte heb aan persoonlijken omgang met menschen. Ik ben mijn eigen beweging geworden. Vroeger was ik gezond, nu ziek, maar dikwijls gelukkiger dan voorheen. Ik werk nu volkomen zooals ik meen, dat goed is. Jammer, dat mijn verstand in den strijd een klap heeft gekregen, zoodat het dof is geworden, zoodat ik er niet zoo veel meer mede kan doen. Soms, als men mij daar gelegenheid voor geeft, publiceer ik wat. Een vast tijdschrift heb ik natuurlijk niet. Ik geloof toch, dat er een deel van ijdelheid in iedere publicatie is. Ik werk weinig; nooit meer dan eene bladzijde op eenen dag, vaak minder, dikwijls niets. U hebt vroeger wel verzen en proza van mij goed gevonden, wellicht zend ik u eens wat. Maar het duurt nog minstens een maand, eer ik een schrift vol in het net geschreven heb. Als ik schrijf heb ik het gevoel, dat ik in een hooge grot van goud woon, waarin mij hand een goudpuntje is, dat langzaam voortgaat. Als je loopt en de dag is heel mooi, bijvoorbeeld in het Vondelpark, dan ga je vanzelf langzaam loopen, dat is ook een dergelijk gevoel. Mijn huis is stil en goed. Ik verzet mij tegen den winter en laat de ramen nog open. Wij hebben een eschdoorn, mijnheer Verwey, die is van blad tot blad geel geworden. Begrijpt u, dat er nog geen blaadje van af valt? Er komt een roman van mij aan den dag ‘Pathologieën’ genaamd. Nu ben ik moe, en ik kan niet meer schrijven.
Met beste groeten uw Jacob Israël de Haan
Verwey begrijpt veel van de spanningen, die deze geaberreerde artiest het leven ondragelijk maken. Hij voelt, dat er gestreden wordt op de gevaarlijke grenzen van zin en waanzin. ‘Van de week, terwijl ik een boekje van Si-ghele las, stond ik op, en liep in de kamer heen en weer. Toen hoorde ik van begin tot eind of er iemand in mij sprak, en een verhaal opzei, zoo maar, dat ’k er half dwaas van werd.’
Het is alsof de moe-gestreden bestormer indruk wil maken op de menselijke instincten van de vader van het grote gezin. En hij voegt aan zijn woorden toe: ‘Morgen moet ’k naar Meerenberg (hij doelt op een bezoek aan zijn krankzinnige zuster). Ook zoo iets prettigs.’ Wéér dat irritante schermen met de waanzin van zijn familie!
Maar Verwey is niet te vermurwen. Een korte briefwisseling in december 1907 demonstreert het:
112