ie uw strijd tegen personen, die u enkel lastig is en uw leven bederft, opgeven, en
2e de remedie voor uw toestand bij de hand hebben.
De fout was: alles zeggen, - de remedie: voorlopig zwijgen.
Zwijg, en gebruik de betrekking die ge nu hebt als stepping-stone om te komen op een plek die u beter gelegenheid geeft van uw talenten gebruik te maken. Ik verzeker u dat ge, door dit besluit te nemen, alvast aan kracht voor uzelf winnen zult. En doet ge zowaar dan zult ge zien, dat de men-schen zelf die u nu gespaard hebben, u steunen zullen.
Het ga u wel. Doe alles om uw betrekking te behouden of te verbeteren.
Een vaderlijke brief, zonder enig vals sentiment. Dat het advies verstandig schijnt zou binnen het kader van een levensbeschrijving van deze gecompliceerde dichter niet meer kunnen uitdrukken dan een banale gemeenplaats. Het schrijven van Verwey preludeert echter op de afscheidswoorden van 1919: ‘Wij hebben begrepen, dat zwijgen geen schande en geen zwakte beduidt. Maar dat het schande en zwakte is, wanneer men middelmatige gedichten publiceert.’
Kón hij zwijgen? De brieven bewijzen het tegendeel. Maar de Meester blijft onverzettelijk. Op 13 oktober 1906 schrijft Jacob Israël:
Amsterdam 29 St. Willibrordstraat Mijn zeer geachte heer A. Verwey, dit is het vreemde verhaal, waarover ik U schreef, dat het in eenen kant en klaar als eene hallicunatie in mijn geest heeft gestaan. Het is niet zoo gruwbaar van toon, als het eerst leek. Ik ben wat versuft en dus mak geworden. Als u ’t in uw tijdschrift wilt plaatsen zult U mij een genoegen doen.
Maar is dit een onzedelijk geschrift? Wat is er de beteekenis van voor mijn leven. Het vreemde is, dat ik enkele verhalen, die mijn aard en aanleg toch eigenlijk vreemd zijn, telkens hoor. Prettig is anders, maar ik laat alles gaan. Op ’t oogenblik ben ik te Nijmegen. Het is alles wel moeilijk, mijn brief-adres is te Amsterdam. Wanneer ik wilde schipperen met mijne kunst, dan zouden tijdschriften wel mijn werk willen plaatsen, maar dat kan ik niet. Ik wilde, dat ik zelf maar een tijdschrift had, voor mijne beweging heb ik daar behoefte aan.
Met potlood staat op de brief genoteerd: ‘terug als niet griezelig ... ’
Uit dezelfde tijd dateert een andere brief, weer met een verhaal. Deze keer
110