sificatie zouden kunnen verdwijnen. Het zal altijd een jong gewrocht blijven, geen drama waarin de karakters wat beteekenen of die in de behandeling een sterke hand verraadt, maar ge hebt reden er blij mee te zijn, omdat er werkelijk iets in is van het voornaamste: poëzie en kunst. Probeer maar weer eens iets, of, nog beter misschien, probeer niet maar wacht tot het komt. Binnenkort zal ik het terugzenden,
Vriendelijk gegroet Albert Verwey
Verwey had het Joodse dichterschap ontdekt! Zover was Jacob Israël nog niet. Die was nog aan het rommelen met Tak en de socialisten en Aletrino en de hele santekraam. Wie hielp hem?
De Haan schrijft in de zomer van 1905:
Beste mijnheer Albert Verwey, na twee jaar kom ik nog eens in uw leven. Zoo denk ik, dat ge mij niet vergeten zult zijn. Daar is wel voor gezorgd. Mijnheer Verwey, het is niet goed, doch ik moet nu meest over mij zelven schrijven. Niet over wat gebeurd is, dit jaar. Het is mij alles goed, zooals ’t is, en het is de vraag of andere dagen en andere daden beter waren geweest. Buitenstaanders hebben het praten gemakkelijk. Weet ge, dat ik u voor twee jaar geleden bezocht? Juist ’n paar weken, voor ik admissie-examen dee voor de Universiteit. Dat is toen goed gegaan, maar het was ook des levens laatste goedheid. En daarna al maar daling. Nu moet ge weten, dat ik heel lang al te weinig geld heb gehad, en ik ben ook heel lang ziek geweest. Nu ben ik tijdelijk schrijver aan de Rijks Verzekeringsbank. Dat is een héél inferieure betrekking, die geeft ƒ 10.— in de week. Men wenschte mij geen betere te geven. En ik was dan nog maar biddende blij deze te hebben. Het is al te weinig geld. Ook is het leven onvredig en zwaar. Er zijn 600 lui op de R.V.B. en ’t gaat er wel heel kazerne-achtig. Wij zitten heel den lieven dag gekamerd en gekerkerd in ’n somber vertrek, dat slechts ramen heeft op ’n smal marmeren plaats. Vroeger zat ik op ’n kamer aan ’t raam, waar je boomen zag en wind zag. Maar tijdelijke schrijvers worden overal ingedouwd waar ’n mannegie noodig is. Het is wel hard, mijnheer Verwey, en je wordt gecommandeerd door iedereen. Ook door menschen, die dommer zijn en slechter dan ik.
Van Eeden zei: ‘het is je eigen schuld, je hebt je gaven verkeerd gebruikt en dat wreekt zich nu.’ Dat kan waar zijn, doch baat dit alles? Neen, dit alles baat niets, het is mijn leven, ik moet het bezorgen en behouden zoo goed mogelijk. Wat u? Ja, ik ben nu haast 24 en sta in rang en geld onder domme menschen van 21 en jonger. Maar anderen hebben zich daar buiten te hou-
108