Ik werk veel, en ik werk ernstig, zonder heel veel liefde en loon. Met Hans gaat alles heel goed. Ze laat je wel zeer groeten. Toch voel ik mij dikwijls bitter eenzaam, vooral te Nijmegen, maar ook hier te Amsterdam. Men kan leven en sterker worden in wetenschap en in wijsheid, óók zonder veel menschen, maar zóó alleen, als ik nu sinds twee a drie jaar leven moet, dat put mij veel te veel uit. Mijne gedachten hebben geen ruimte genoeg, omdat ik geen milieu meer heb. Ja, de school, daar gaat alles goed. Ik heb goed orde en de jongens zijn mij zeer genegen. Doch dat alles is te schraal. Ik voel mij achteruitgaan, en ik ben soms zeer angstig voor het ergste. Dat is niet de dood, maar wel eene verstandsverbijstering. Denk eraan, dat er weken voorbij gaan zonder dat ik iemand zie, die ruimte heeft en inzicht. Enkele malen schrijf ik nog wel wat. Dat is altijd prettig. De Koo is vriendelijk voor mij, en hij plaatst wel eens goede bijdragen van mij. Heden in De Groene een over De Geer en De Montigny, waarin ik tracht aan te toonen, dat zij uit rechtskundig oogpunt behooren veroordeeld te worden tot het mogelijke minimum van eenen dag. Maar De Groene is geene geestelijke eenheid. Het eenige tijdschrift uit heel Holland, dat werkelijk geestelijke beweging heeft, is de Beweging van Albert Verwey. De rest bestaat alleen omdat ze bestaan en winst geven. En omdat redacteur zijn veiliger is dan medewerker. Maar juist in De Beweging kan ik niet komen. Hoeveel liever wilde ik niet, dat Verwey mijn werk prees dan Lodewijk van Deyssel. O, Verwey is mij niet ongenegen, maar tot zijn groep behoor ik toch volstrekt niet. Zooals Gutteling b.v., die aan De Beweging zijn kracht geeft, en uit die geestelijke beweging toch ook weer kracht haalt. Ik heb Verwey eene kleine bijdrage gezonden getiteld: ‘Macht en Recht’ naar aanleiding van de intree-rede van professor Struycken. Ik heb willen aantoonen dat: ‘positief recht’ een geheel individueele inhoud heeft. Maar of Verwey er plaats voor maken wil? Ik geloof het niet. Niet, omdat het een dom stuk is. Zoo dom ben ik niet, om het dan door te zenden. Enfin, we zullen zien.
Wel anders zal eenmaal zijn toon luiden tegen Verwey. Hoewel de aanvang van deze correspondentie evenzeer hindert door de kleffe gemeenzaamheid, die de vroegere vriend van Willem Kloos extra waakzaam zou maken. Gedateerd 17 november 1902 schrijft Jacob de Haan uit Amsterdam, van de Van Ostadestraat 109 huis, het volgende epistel naar Noordwijk:
O, Albert Verwey, nou hebt u me toch zeker wel vergeten. Is het niet? Weet u nog, dat ik onder ’n verschrikkelijken slagregen op ’n middag bij u ben geweest. Ik heb dat natuurlijk altijd goed onthouden, maar u zult na-
105