De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



ben wij ook gepubliceerd. En wij beweren volstrekt niet, dat er buiten de Beweging geene goede Dichters waren. Wij waren verscheiden: Maurits Uyldert, Alexander Gutteling, Nico van Suchtelen, Geerten Gossaert, P.N. van Eyck, Jacques Bloem, Gisa Ritschl, Aart van der Leeuw, J. Jac. Thomson, en anderen. Maar wat ons verbond, dat wisten wij uit de Inleiding van Verwey en later uit ‘Vijf en twintig Jaar’ (Maart 1907). ‘Wat wil De Beweging’ (April 1907). ‘Het Beoordeelen van Gedichten’ (October 1907) en ‘Leigh Hunt en zijn Vrienden’ (October 1910). Zóó was onze gemeenschap een diepe geestelijke gemeenschap. Verscheidene van de medewerkers heb ik nooit ontmoet of maar heel zelden. Albert Verwey zelven zag ik gemiddeld niet eenmaal per jaar. Onze eenheid was de erkenning van het Dichterschap. En voor de jongeren zeg ik dit: in 1901 heb ik Albert Verwey voor het eerst gedichten gezonden. Het duurde tot 1909 eer hij mijn werk zoo sterk en noodzakelijk achtte, dat mij eene plaats in de Groep werd ingeruimd. Gij, die het Dichterschap begeert, weet, dat het zich niet dwingen laat. Wees eerbiedig en trouw. En hang uw hart voor het leven open als een bloesem voor regen, zon en wind.

Zóó is dan Albert Verwey mijn goede en strenge Meester geweest. Maar nooit een nabij en vertrouwd Vriend.

Aldus De Haan wederom in zijn Heengaan uit Holland.

Zijn Tesjoewa is inderdaad niet denkbaar zonder het normbesef van de leider der Beweging. Van meet af aan heeft Verwey aangevoeld, dat deze stakkeri-ge, Joodse onderwijzer iets zeer aparts vertegenwoordigde. Door alle banale vertrouwelijkheden heen proefde hij een talent. Nochtans wees hij hem negen jaar lang terug. De ontmoeting tussen beide figuren vormt een hoogtepunt in de biografie van Jacob Israël de Haan, de ‘chosed’, die een ‘rebbe’ nodig had en die hem kreeg. Want - en dit is bepalend voor De Haans gehele verdere carrière - de jonge dichter voelde instinctief, dat op Villa Nova het kompas lag, waarop hij zou moeten varen.

Wat al moeite deed hij niet om zijn gedichten in De Beweging geplaatst te krijgen. Ook in zijn brieven aan Van Eeden spreekt hij zich hierover openhartig uit, vooral in de crisisjaren na Pijpelijntjes:

Weet-je wat ik in je geschriften ook zoo prettig vind ? Je aandringen op individualiteit en zelfstandigheid. Ik herinner mij nog heel wel, dat je me in 1899 schreef: ‘maar doe nooit iets alleen omdat ik het zeg.’ Je zult mij moeten toegeven, dat ik dit nooit heb gedaan. Niet heerschen, en niet over-heerscht worden. Enkel maar je-zelf zijn, dat is het beste.

104

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.