Maar van vreugde, dat wij na ’t eindloos lange Onveilig zwerven keeren naar ons land.
Links en rechts breiden wij de landen uit Rustig en rijk van onze heerschappij Ten dage dat het Hooge Volk weer vrij Geschaard trekt bij het Bazuinengeluid.
Hij was er. Was hij er inderdaad! En zijn Pijpelijntjes-actie dan, nota bene uit hetzelfde jaar? En dat stuk onverteerbare ‘christelijke’ verleden? In HetJaar der Dichters, Muzen-almanak voor 1911, samengesteld door J. Greshoff en verschenen te ’s-Gravenhage in het jaar 1910, publiceerde Jacob Israël de Haan zijn Sabbathlied, voorafgegaan door twaalf kwatrijnen ‘Aan den heiligen Thomas van Aquino, Doctor Angelicus’.
Wij lezen het eind:
Zóó vindt mijn ziel in de hemelsche wei Van uwe wijsheid weidend zaalge lust.
Na scherpe jacht een kalme rust Wonderlijk vrij.
Geen morgen meer, dat ik niet trouw en sterk Uw woorden lees en hun kostlijk geschenk Teeder genietend overdenk Bij ’t bezig werk.
Geen avond meer, dat ik niet welbewust Uw boeken lees en dat uw zuiver woord Mijn hart niet heerlijk houdt bekoord Tot tijd van rust.
Zóó won ik vrede, die mij nooit verlaat Voor ’t hart, dat leed, een milde medicijn,
Doctor! Mijne liederen laat Die mijn dank zijn.
De strijd met de Ketowem was blijkbaar niet geëindigd en ze hadden nu zelfs drie gezichten! Een enkele Jood uit zijn nieuwe omgeving hield de adem in. Wat had de dichter bewogen zo uitdagend te springen in de verscheurdheid van zijn vroegere, ondoorzichtige jaren?
Hij was er nog lang niet. Zou hij er ooit komen, deze Ba’al Tesjoewa van het fin de siècle?
100