groepen, die ondanks contact met het nationale Israël, dank zij contact met een zeer speciaal Israël, zich zo verbonden gaan voelen met de “Touro” van Hirsch, dat wederom een Trennung dreigt. Zelfs in Nederland worden symptomen duidelijker, die wijzen in de richting van een volstrekte, geestelijke gettovorming. Met als eigenaardigste component: een gecultiveerde voorliefde voor het voormalige Oosteuropese Chassidisme. Dat het bezoeken van Israëlische en andere Jesjiewot (Talmudscholen) tot de normale verschijnselen is gaan behoren, is tekenend en verblijdend. Dat deze extreme Joden naar de kant der buitenwereld zich ook uiterlijk weer gaarne onderscheiden van de niet-Joden (baarden, haardhoeken, de z.g. pei’es, het in het openbaar dragen van keppeltjes, etc. etc.) wijst op een neiging naar radicalisering, die zelfs in het Amsterdamse diaspora de contouren van een (geestelijk) archaïstisch getto te voorschijn roept. Met alle gevaarlijke, reactionaire uitwassen van die “Weg zurück”. *
Tussen Reform en Ultra-orthodoxie vechten de Kerkgenootschappen (het Portugese vormt nauwelijks nog een realiteit) moeizaam en zonder succes voor een “officieer’ Nederlands Jodendom, dat niet meer bestaat. Het indifferentisme van de burgerlijke liberale Joden, die zichzelf los dachten of wisten van persoonlijke Joodse verantwoordelijkheden en die (voor zover ze nog in groepscategorieën dachten) misschien wel “ergens” nog diep of minder diep waren gebonden aan “het” Jodendom (“ik ben een Jood in mijn hart”), had zichzelf al vóór 1940 overleefd. Dit alles is historie geworden.
Maar wat dan?
Kiezen wij de klassiek-Joodse weg. Tegenover de opvatting, dat met het ontstaan van Israël het galoet als fase in de historie der Joden heeft opgehouden, worde gesteld dat in de diaspora het galoet nu nog de historische kenbron bij uitnemendheid is.
Willen wij onszelf als Joden handhaven, dan moeten wij beginnen vóór de breuk van de 18e en 19e eeuw. Uitgaande van de legale bronnen, waaruit alle zionistische en Joodse klassieken hebben geput, dienen wij ons de vraag voor te leggen, hoe een diaspora-Jodendom, dat niet naar Israël gaat, kan worden behoed voor déraillementen. Met name: voor een totale degeneratie, die wordt opgediend op Israëlische schotels.
Wij moeten de ogen durven openen voor de dialectische eigenaardigheid, dat de geseculariseerde invloed van het tot Israël gestolde zionisme, de assimilerende factor bij uitnemendheid is geworden. Met deze conclusie: dat een onverzwakt handhaven van de zuivere Joodse voorwaarden die eens het zionisme stelde, van ons eist dit nationalisme te verwerpen. Nimmer was de kans op nivellering zo groot als na 1948. Wij hebben wederom be-
168