Op deze zelfde woensdag werden in de middaguren de heren A. Asscher, Opperrabbijn L. H. Sarlouis en Rabbijn E. M. Francès bij de Beauftragte voor Amsterdam, Böhmcker, ontboden. Zij kregen opdracht ervoor zorg te dragen dat de rust in de Jodenhoek weerkeerde. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de Duitse autoriteiten destijds nog de Joodse groep zagen als een collectiviteit, waarvan de Rabbijnen als de meest exponente leiders konden worden beschouwd.
Op donderdag 13 februari volgden de twee bekende bijeenkomsten in de Beurs voor de Diamanthandel. De volgende dag werden de Joden vanwege de Joodse Raad gesommeerd de wapenen in te leveren. En het scheen alsof na het eerste treffen een soort wapenstilstand was ingetreden. Korte tijd later zou echter blijken hoezeer men zich had vergist. Op Sabbath 22 februari en de daaropvolgende zondag werd de Jodenhoek het toneel van de beide beruchte Mauthausen-razzia’s. En op het plein waarover de vensters van de Snoge eeuwen hadden gestaard, stonden de auto’s klaar, waarin Joodse jongens en mannen werden gebeukt, die een vreselijke dood tegemoet-gingen.
Analyseren wij thans: na de relletjes werden bij de Duitsers ontboden de Voorzitter van de grote Joodse Hoogduitse Gemeente — de ook naar de zijde der buitenwereld als zodanig bekende diamant-Jood Asscher — en de twee Rabbijnen. Het kiemende “volksverzet” kon — zo zagen onze vijanden het feilloos — alleen maar worden geëlimineerd door de verantwoordelijkheid over te dragen aan de officiële Joodse gemeenschap van Amsterdam, die men in haar totaliteit verburgelijkt en amorf genoeg wist om zich niet verder aan avonturen over te geven. De razzia’s ter plaatse zouden op het moment herhalingen voorkomen!
Zij hadden goed gezien. Want de “Joodse Raad voor Amsterdam” ontwikkelde zich binnen enkele dagen tot het instituut, dat de Duitsers zich hadden gedroomd. Nog even waren daarin ook enkele “buurtbewoners” uit de Jodenhoek opgenomen, maar dit scheen al spoedig een rest-situatie. Onder invloed van Professor Cohen — onmiddellijk door Asscher als zijn partner gezocht en gevonden — werd de nieuwe leiding van het Joodse Amsterdam samengesteld volgens de geijkte maatstaven der gegroeide verhoudingen. Beide Kerkgenootschappen waren ruim vertegenwoordigd, maar ook de zionisten deden mee en (psychologisch voortreffelijk gezien) de socialisten. Dat de leiding van de Algemene Nederlandse Diamantbewer-kersbond (A.N.D.B.) mede in deze “Raad” werd opgenomen, demonstreert een geraffineerde kijk op de interne verhoudingen.
Het Amsterdamse Jodendom, zoals het daar vertegenwoordigd was, was — Joods en revolutionair gezien - al vóór 1940 doodgebloed. Dat de verburgerlijkte, “kerkgenootschappenjke” kringen niet tot enig verzet in staat of
145