leugenachtigheid ervan, iets dat zeer slecht paste bij de verheven en zuivere moraal van dit volk, waarvan men altijd zo hoog opgaf. Die morele en verdere reinheid van dit volk was toch alleen een kwestie op zichzelf. Dat deze lieden niet bepaald dol waren op water, was iets, dat men aan hun uiterlijk helaas reeds kon constateren, dikwijls zelfs met gesloten ogen, later óverkwam het mij wel eens, dat ik onpasselijk werd van de lucht, welke deze kaftandragers verspreidden. Daarbij kwamen nog de onzindelijke kleding en hun weinig heldhaftig voorkomen. Dit alles tezamen kon al moeilijk aantrekkelijk werken; maar men werd pas afgestoten wanneer men, naast de lichamelijke onzindelijkheid, plotseling ook de morele smetten van het uitverkoren volk ontdekte.
Niets heeft mij in korte tijd zozeer tot nadenken gebracht als het langzamerhand doorbrekend inzicht in de wijze, waarop de Joden op bepaalde gebieden werkzaam waren. Bestond er eigenlijk wel ergens iets vuils, een schaamteloosheid, in welke vorm ook, vooral op cultureel gebied, waaraan niet minstens één Jood had meegewerkt? En wanneer men nu maar voorzichtig in zulk een gezwel sneed, vond men, als de made in rottend hout, een Joodje dat dikwijls nog met verblinde ogen knipperde in het plotselinge licht. Toen ik de werkzaamheid van het Jodendom op het gebied van kunst, literatuur, film en toneel leerde kennen, begreep ik ook, hoe groot de verantwoordelijkheid was, die het droeg voor de daar heersende toestanden. En dat was een overtuiging, waaraan geen zalvende verzekering ‘dat toch het tegendeel waar was’ meer iets kon afdoen. Het was reeds voldoende om alleen maar een reclamezuil te bekijken en de namen te bestuderen van degenen, die het afschuwelijke maakwerk voor bioscoop en schouwburg, dat daar aangeprezen werd, op hun geweten hadden om voor lange tijd hard te worden. Want datgene, waarmee men hier alle waarde van het volk vernielde, was een pestilentie, een geestelijke pestilentie met noodlottiger gevolgen dan vroeger de Zwarte Dood had gehad.
En in welk een hoeveelheid werd dit vergif dan nog voortgebracht en verspreid. Het is niet meer dan natuurlijk, dat met het dalen van het geestelijk en moreel peil van zulke kunstfabrikanten, hun productiviteit evenredig stijgt, tot een dergelijk heerschap tenslotte wel een machine lijkt, die geen andere taak heeft dan onophoudelijk een regen van vuil op de mensheid te doen neerkomen. En dan moet men nog bedenken, hoe talrijk zij zijn; tenslotte laat de natuur tegen één Goethe zeker tienduizend knoeiers en klungels van het bovengenoemde soort op de wereld los en deze tienduizend doen nu dienst als bacillendragers van het ergste soort, en besmetten alom de zielen. Het was ontzettend, maar het viel niet te ontkennen, dat de natuur voor deze schandelijke arbeid vooral Joden in groten getale
129