11. DE TWEEDE WERELDOORLOG
In datzelfde Wenen, waar Martin Buber had gestudeerd, Stefan Zweig had gewerkt en Herzl en Freud en al die andere typische Joden — daar zwierf omstreeks 1910 de fanatiekeling rond, die “Die Welt von Gestern” definitief zou voltooien met de hel van Auschwitz. Adolf Hitler deed — naar eigen mededelingen — de impuls tot zijn Jodenhaat op in de hoofdstad van de Donaumonarchie, die (volgens Mein Kampf) toen — onder leiding van de antisemiet Dr. Lueger — haar laatste en schoonste bloei scheen te beleven. Op die grens van Oost- en West-Europa leerde Hitler begrijpen “dat het hier niet ging om Duitsers van een bijzondere geloofsbelijdenis, maar om een afzonderlijk volk, dat was ook voor mij boven iedere twijfel verheven; want nu ik begonnen was mij met deze vraag te bemoeien en mijn aandacht eenmaal op de Jood gevestigd was, nu verscheen Wenen mij in een geheel ander licht dan vroeger. Waar ik nu liep, zag ik ook Joden, en hoe meer ik er zag, des te scherper zag ik het verschil tussen hen en de andere mensen. Vooral in de binnenstad en in de buurten ten noorden van het Donaukanaal wemelde het van mensen, die zelfs uiterlijk niets meer met ons Duitsers gemeen hadden. Maar wanneer dit mij nog niet geheel overtuigd mocht hebben, dan werd deze twijfel voorgoed uitgewist door de houding van vele Joden zelf. Er bestond immers een zeer sterke, ook te Wenen vele aanhangers tellende, beweging onder hen, welke het feit, dat het Jodendom een apart volk en zijn bijzonder karakter een volkskarakter was, nogmaals zo nadrukkelijk mogelijk bevestigde: het Zionisme.
Het scheen weliswaar alsof slechts een deel der Joden deze houding tot de hunne maakten, en alsof de grote meerderheid het met een dergelijk vastleggen van haar houding niet eens was, en in haar hart zelfs scherp afwijzend daartegenover stond. Maar bij nadere beschouwing verdween deze schone schijn door de weinig appetijtelijke aard der argumenten, die men tegen het Zionisme inbracht; want zo men dit al geen leugens kon noemen, dan toch wel zuiver opportunistische uitvluchtjes. De z.g. “liberale Joden” ontkenden immers niet, dat ook de zionisten Joden waren, maar vonden alleen, dat het zionisme, dat immers een openlijke erkenning van het bestaan van een Joods volk inhield, onpractisch en misschien zelfs gevaarlijk was. Aan hun innerlijke saamhorigheid deed dit alles niets af.
Deze schijnbare onenigheid tussen zionistische en liberale Joden wekte reeds na korte tijd mijn weerzin door de volkomen onwaarachtigheid en
128