tomatisch; dat hadden Willem I en Johannes van den Bosch met de paupers en de gedeclasseerden omstreeks 1820 ook al gedaan. Westerbork had legitieme voorlopers in Frederiksoord en Veenhuizen.
Dat op deze wijze affecten groeiden van haat tussen Joden en Joden, ligt voor de hand. Wij waren september 1943 getuige van de komst der voorzitters van de Joodsche Raad van Amsterdam op de “tsores-boule-vard” in een Westerbork, dat toen al de promotie had doorgemaakt naar Durchgangslager. Welk een macaber gejuich brak los bij de “alte Lager-einsassen”. Afschuwelijke ervaring! Maar wie kon dat alles voorzien in de jaren vóór 1940, toen feitelijk als enig leidend beginsel bij de benadering van het acute Joodse vraagstuk overheerste de zielige vrees voor eigen posities, voor het opkomende antisemitisme, dat hier onder Duitse invloed wortel begon te schieten en een gehele literatuur van Joden (en niet-Joden) in het geweer bracht. Ook hier soms met de rekenmachine tot stand gekomen, getuige de brochure Het wetenschappelijk Antisemitisme, waarin de socialist Henri Polak weer eens ging bewijzen dat de criminaliteit der Joden zo gunstig afstak tegenover die der niet-Joden.
“Uit de Criminele Statistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek, over 1919, blijkt, dat in dat jaar geen Joden zich hebben schuldig gemaakt aan Doodslag, Moord, Kindermoord, Mishandeling met zwaar letsel, Afpersing, Vernieling, Dierenmoord, Geweldpleging, Brandstichting, Wederspannigheid in vereeniging, Meineed, Valsche munterij en uitgeven of in voorraad hebben van valsche munt, Verkrachting, Kinderverkrachting, Feitelijke aanranding der eerbaarheid, Ontucht met minderjarigen van hetzelfde geslacht, Ontucht door Ouders, Voogden en Onderwijzers.
Een gehele reeks dus van de grofste en verachtelijkste misdaden, aan welke zich niet één Jood heeft schuldig gemaakt.
Maar deze zelfde statistiek leert nog iets anders.
Indien het waar zou wezen, dat Joden in handel, zaken- en bedrijfsleven oneerlijker zijn dan anderen, dan zou dit moeten blijken uit veroordelingen wegens het plegen van zulke oneerlijkheid. Hoe is het nu hiermede gesteld? Het volgende tabelletje, ontleend aan bovengenoemde bron, leert het ons:
Misdrijf
Joden
Prot.
R.-Kath.
Oneerlijke mededinging
0
1
2
Verkoop van vervalste waren
0
1
2
Bankbreuk
1
3
3
Oplichting
10
138
106
Verduistering
14
319
230
Dito in dienstbetrekking
8
205
128
124