alles valt zijn (om Miskotte te citeren) “bekering” tot het Chassidisme:
“Het is de ontmoeting met het testament van Rabbi Israël Baälschem, de stichter van het Chassidisme. Het was of ook hem gezegd werd: tolle, lege! — daar las hij in het kleine onaanzienlijke geschriftje: ‘Er ergreife die Eigenschaft des Eifers gar sehr. Er erhebe sich im Eifer von seinem Schlafe, denn er ist geheiligt und ein andrer Mensch worden und ist würdig zu zeugen und ist worden nach der Eigenschaft des Heiligen, gesegnet sei er, als er seine Welt erzeugte/ Dit woord uit het “Zewaat Ribesch” voerde hem in een nieuw leven, ‘da war es, dasz ich, im Nu überwältigt, die chassidische Seele erfuhr. Urjüdisches ging mir auf... Die Gottesebenbildlichkeit des Menschen als Tat, als Werden, als Aufgabe gefaszt’. Daar rees voor zijn ogen het beeld zijner kindsheid in Galicië, de zaddik en zijn gemeente, de vroomheid als vervoering en als daad, de daad, als dagelijkse levensvorm, zélf gedragen en gedrenkt door de vervoering. Daar was hem het wezen der Joodse religie geopenbaard; niet het eigenaardige van het Joodse volk, maar het wezen van Israëls religie, want onmiddellijk zag hij, dat dit hem niet tot nationale grenzen terugleidde of binnen het perk der orthodoxie. ‘Und dieses Urjüdische war ein Urmenschliches, der Gehalt menschlichster Religiosität.. / ” (Wezen der Joods che religie, pag. 214.)
Buber heeft het Joods-nationale denken langs nieuwe paden geleid. Zijn opvatting, die voor een zinvol voortbestaan van het Joodse volk de ontwikkeling eist van ook andere dan uitsluitend rationele krachten, bracht hem in botsing met vele zionisten. Dat hij na de Eerste Wereldoorlog in zijn tijdschrift Der Judo samenwerking met de Arabieren bepleitte -tegen de imperialistische opvattingen van Engeland in — deed voor velen de deur dicht. Weer zijn we — met Der Jude — in de jaren omstreeks 1916, 1917, 1918 en later, maar mét Buber is het niveau wel anders komen te liggen. Ook hij was verontrust door de ontwikkeling van het Joodse vraagstuk in de wereld en in Duitsland —, maar voor hem lag de verontrusting zedelijk in een ander vlak. “Es ist eine Frage des Deutschen, nicht unsere Frage.” Dat men binnen het Joodse volk nog lang niet overal zover was, kan worden geïllustreerd aan Nederland, waar omstreeks 1929 de Congresdemonstratie van 1918 en de Landelijke Joodsche Protestdag tegen de Pogroms in Oost-Europa van een jaar later al lang waren vergeten. Rustig pruttelde hier het Joodse leven voort op een heel zacht pitje. De zeer kleine zionistische minderheid vocht voor haar bestaan in een Zionistenbond, die door goede kwaliteit de naar verhouding geringe kwantiteit moest vergoeden. Langs de uiterste grenzen van het Joodse leven vertoonde zich van tijd tot tijd wat problematiek, gerede aanleiding tot papieren oorlogjes tussen zionisten en assimilanten. Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap en zijn Portugese collega hielden het officiële Joden-
119