dert als de Selbstzeugnisse des deutschen Judentums (Fischerbücherei, 1962) geraakt zelfs bij zulk een oppervlakkige kennisneming daarvan overtuigd. Wat al namen liggen hier als voor het oprapen: Leo Baeck, Martin Buber, Hermann Cohen, Albert Einstein, Rosa Luxemburg, Walther Rathenau, Franz Rosenzweig, etc. etc. En dit geldt nog alleen voor de periode na 1870. Wie meent zich nog te moeten wagen aan de eeuw, die eraan voorafging?
De historische vraag rijst naar het waarom! Waarom kan terecht worden gesteld dat “zumindest seit dem maurischen Mittelalter in Spanien kein Volk so stark und in so mannigfacher Weise auf die Juden hat eingewirkt wie die Deutschen vom zweiten Drittel des achtzehnten bis ins erste Drittel des zwanzigsten Jahrhunderts?” Aldus H. G. Adler in diens Die Juden in Deutschland — Von der Aufklärung bis zum Nationalsozialismus.
Trachten wij te komen tot een benadering. Positief is er hier reeds sedert de 18e eeuw sprake geweest van een intensieve wisselwerking tussen het Jodendom en de omgevende cultuur, die elders toen nog onbekend was. Een vergelijking met het humanistische Amsterdam der Gouden Eeuw, waarin figuren als Menasse en Spinoza op voet van vriendschap konden omgaan met Grotius, Barlaeus of de Vossii, leidt ons terstond naar het essentiële verschil. In Zij lieten hun sporen achter (Joodse bijdragen tot de Nederlandse beschaving, 1964) formuleerden wij het onderscheid aldus:
‘De verdraagzaamheid van de zeventiende-eeuwse Libertijn heeft niets te maken met het latere begrip tolerantie. Vandaar dan ook dat in Nederland geen sprake kon zijn van iets als emancipatie. Het toepassen van zulk een begrip, dat immers bij de achttiende eeuw en negentiende eeuw hoort, op zeventiende-eeuwse toestanden, miskent iedere historische en wijsgerige inslag.
Daardoor kon ook voor de Joden, voor Menasse en zijn Sefardiem, de soepele houding der libertijnen nimmer basis vormen voor een intern-Joodse ontwikkeling, waarin (om het modern te formuleren) assimilatie-idealen konden ontstaan. De “verdraagzaamheid” bleef de Jood terugwijzen naar het opportunistisch uitgangspunt en dwong hem aldus gedurig tot het behoud van zijn speciale kenmerken. Bij de Portugese Joden bleef er een scheiding tussen hun Marranen-bewust-zijn en hun sociaal-econo-mische structuur. In het gunstigste geval wordt dit Marranen-bewustzijn naar Nederlands model gemoduleerd, doch geen enkel Nederlands motief wordt voorlopig innerlijk bepalend voor hun geestelijke gerichtheid. Menasse denkt eraan naar Engeland te vertrekken als de Eerste Engelse Oorlog in volle gang is. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog, als de Messiaanse Beweging van Sabbattai Zwi de hele Joodse wereld op haar grondvesten
116