Het eschatologische, dat geleidelijk in een complete geschiedfi-sofie overgaat, heelde al het gespletene in de ziel van de Romanticus. Naar buiten bleef dit onopgemerkt. Wat eens de mensen zonderling in hem had geschenen, was immers zonderling gebleven. Wat weten kruidenierszielen van koninkrijken. Dat hier een grandiose evolutie had plaats gevonden, dat diepe wonden van een geschokte jeugd tenslotte waren genezen en dat wat eens in oorsprong als weerbarstige jeugdromantiek had geklopt, zich thans manifesteerde als vol-Joods profetendom — geen Christen, geen Jood, die er zich nog het hoofd over brak. Maar desondanks was Isaac fundamenteel veranderd. Hem was niet meer de beperking. Hij klom nu hoger dan het dakvandeSno-ge. Hem was de wereld zijner dagen én van de toekomst. Eindelijk was hij bevrijd van zijn lijfelijke omlijsting, die hij zo vaak had willen afschudden. Zijn persoonlijke wereld viel van nu af aan samen met die van de „tijd”.
Wij, die ons eerder het probleem stelden van de oorsprong zijner historische denkbeelden, worden thans gconfronteerd met de Joodse historicus bij uitnemendheid. Diegene voor wie niet objectiveren (als bij de Grieken), maar participeren het hoofdmoment vormt. Geen afstand meer. Eénworden als bij de paring van twee individuën. Het „kennen” in de hogere zin van „bekennen”. 151)
Uit de kosmische autobiograaf der Romantiek, die eens als Heer van het Joodse Teisterbant had meegespeeld op het toneel der historie (en die als zodanig mee bleef spelen in zijn vrije uren) was een dichter gegroeid, wiens levensgang als het ware met de tijd was samengegroeid. De tijd als grondcategorie der historie, maar ook als aparte dimensie van het profetendom. Hij hoort „de stem des Tijds” — hij koestert en ondergaat „de gunst des Tijds” — hij luistert naar de „orakels van den Tijd” — hij schrijft „Poezij des Tijds” en hij aanschouwt „de eb des Tijds” „op de zee der Tijden.” 152)
Van nu af aan zijn Gericht en Heilsstrijd de polen van een activiteit, die zich aan het normaal-menschelijke tracht te ontworstelen. En die de daarbij passende uitingsvormen zoekt.
Als hij nu toornt is het niet meer in de toon der Bezwaren, want hij hoeft zich niet te overschreeuwen. Hij is niet meer hier; niet langer de gedoopte Jood en bovendien: hij schreeuwt al lang niet meer tegen Christenen over de Post-Acta van Dordt. Wat hij aanschouwelijk maakt, dat zijn de tekenen, waarvan zijn eeuw zwanger gaat.
151. W. den Boer; Benaderbaar Verleden, 1952, 7.
152. Voor het begrip „Tijd”, K.D., 448, 516, 517, 518, 519 etc.
96