chijen, waarvan de laatste plaats moet maken voor een eeuwig, heilig en hemelsch Koninkrijk.”
Hij opteert voor de klassieke interpretatie van Joden en Christenen: Babel, Medië-Perzië, het rijk van Alexander en Rome. „Wordt het vierde Koninkrijk in het gezicht van het beeld (11:40) voorgesteld als hard, gelijk ijzer dat alles vermaalt en verbreekt, en straks in het gezicht der vier Dieren (VII:7.19) als hebbende ijzeren tanden en klaauwen van koper, en vertredende het overige met zijne voeten, en voorts als verscheiden van al de andere en zeer gruwelijk, — de geheele geschiedenis is daar, om de uitsluitende toepasbaarheid van alle die kenmerken op de wereldheerschappij van Rome te getuigen.”
„Want het wereldlijke Rome blijft onder alle omstandigheden voortbestaan. „Het herleeft in het Duitsch-Roomsche, dat wij zelve onder die benaming kenden tot in het begin dezer eeuw (1806). Het leeft in dat Europeesche Statenstelsel steeds voort, hetwelk, uit hoe vele onderscheidene bestanddeelen zamenge-steld, toch in de orde en ontwikkeling der wereldgeschiedenis, wel als eene verlenging van het Romeinsche Rijk mag beschouwd worden, of, in de taal der prophecy, als de horens die, op het hoofd van het vierde Dier gegroeid, insgelijks Koninkrijken, doch latere en van ondergeschikte uitgebreidheid, aanduiden (Dan VII: 24, II: 41).”
Wij zijn ongemerkt weer genaderd tot de eeuw, die de dichter de zijne mocht noemen.
XXXVII. De werkhypothese van Kaznelson en de analyse van Isaac vullen elkander opmerkelijk aan. Isaac wint het van de Jeruzalemse intellectueel als hij de juiste scheidingslijn trekt tussen profetendom en de kunst van het voorzeggen. Voor liet overige is zijn stellingname tegenover het probleem en zijn i-dentificatie daarmee, slechts voedsel voor de moderne theorie over het Joodse profetendom, dat ongemerkt over de drempel van de 19e eeuw heenschrijdt. En dat Da Costa in zijn nadagen stempelt tot een Joods fenomeen van zuiver gehalte. Een fenomeen, dat ons bovenal treft door die wijsgerige eenheid van denken en dichten, die een noodzakelijke voorwaarde is voor het profeteren over het eind der dingen. Zonder eenheid geen einde. Maar mét de eenheid, van waar uit het einde zichtbaar wordt, ook de fatale eenzaamheid. Nu wel gelouterd door een perspectief, maar nooit meer naar wereldse categorieën bewoonbaar. „Bij menschen uitgesloten” — nu voor goed!
95