ge eeuwen door de kracht en loop der dingen vervuld, op rekening van eenige bovenmenschelijke Openbaring behoefde te worden gesteld.”
Aarzeling is er. Maar glinstert er toch niet tegelijkertijd iets door deze woorden, dat ons Da Costa doet zien, als de man, die zelf in „dichterlijke geestvervoering” kan geraken en kan reiken tot een profetische hoogte. Dan de beperking, die het moderne onderzoek benadert. Wij mensen blijven verre van een gedetailleerde beschrijving, zoals de profeten haar vaak gaven. Het detail, dat hem eigenlijk nog meer boeit en hem Jeremia doet verkiezen boven Jesaja.
„Die zoo spreken, vergeten ten eenemale, dat de voorzeggingen der Propheten (stel, het ware eens zedelijk mogelijk, zoodanig als wij hen uit hun woord en leven leerden kennen, dat zij op den naam van den God der waarheid hunne gissingen aangaande de toekomst tot stellige aankondigingen hadden kunnen of durven verheffen!) dat, ook deze onmogelijkheid als mogelijk toegegeven zijnde, die voorzeggingen, zeggen wij, zich in geen geval bij eene bloote, algemeen onbestemde bedreiging van val en ondergang bepalen, maar zich overal uitstrekken tot bijzonderheden, en wel tot bijzonderheden van zoodanigen aart, als waarvan de dichting of gissing te voren iets, naar den mensch, geheel ondenkbaar, iets met alle omstandigheden en voorwaarden van tijd en toestand onbestaanbaar zoude zijn.”
De voorbeelden, die de dichter nu geeft, bepalen zich tot Babel, Tyrus en Rome, waarvan wij er twee behandelen.
Babel. Da Costa vergelijkt de teksten uit de Bijbel met de gegevens van reizigers als Sir Robert Ker Porter en Majoor Kep-pel:
„Toen eindelijk in de laatste jaren door Engelsche reizigers, door den beroemdsten hunner in die streken: Sir Robert Ker Porter, de bouwvallen der aloude wereldstad gevonden, en tot eene in allen deele voldoende uitlegging en bevestiging van de berichten der oude Schrijvers gebezigd waren geworden, zoo trad in het helderste licht tevens: de volmaakte overeenstemming tus-schen de uitkomst der onwraakbaarste nasporingen en het woord der voorzegging bij Jesaïa (XIII: 19—22): Babel, het sieraad der Koninkrijken, de heerlijkheid en hoogmoed der Chal-deën zal zijn gelijk als God Sodom en Gomorra heeft omgekeerd. Daar zal geen woonplaats zijn in der eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht, en de Arabier zal daar geen tent spannen en de herders zullen er niet legeren. En ziet! terwijl elders onder den Asiastische hemel de herders gewoon zijn van vervallende gebouwen gebruikt te maken tot
93