De lezing gaat uit van het feit, dat de profeten opdracht hadden: „ééne groote toekomst in de volheid der tijden aan te kondigen, de komst eens van God gezalfden Konings en de vestiging van een eeuwig Koninkrijk, en daarmede in meer of min aanwijsbaar of noodwendig verband, de groote lotgevallen van volken, van Staten, ja, van die groote steden der Oudheid, wier naam voor die der machtigste en uitgestrekste koninkrijken geldt.” Niet slechts van Israël profeteerden de „zieners”.
„Geen Volk of Koninkrijk, geen groote Staat of Stad, waarmede Israël van zijne vroege jeugd af tot op zijne verstrooijing over de wereld, en nog later, in eenige betrekking stond (en met welk volk of welken staat, die in de wereld eenigen naam maakte, stond Israël niet in betrekking?), of de Propheten van God hebben omtrent hunne toekomst lasten ontfangen, openbaringen medegedeeld, waarvan het groote en Goddelijke waarheids-kenmerk niet alleen zich laat waarnemen in de vervulling, die na jaren en eeuwen altijd gevolgd is, maar ook in de onmiskenbare juistheid van eiken trek, waarmede een ieglijk dier wereld-roemde Staten, Steden en Volken in Israëls Schriften geteekend zijn, en die alzoo niet slechts uit het historisch, maar ook uit een oudheidkundig standpunt beschouwd, bij de vergelijking met elke in die Schriften nedergelegde beschrijving, onderstelling, toespeling, het overtuigendste bewijs opleveren, hoe eindeloos ver men zich hier van mythisch grondgebied, van dichterlijke versiering, in wat voornaam of bijkomstig opzicht het ook zij, in der daad bevindt?”
De laatste regels markeren nogmaals het verschil in geestelijke structuur tussen heilig dichterschap en „Dichtung””, dat wij bij Da Costa vaker ontmoeten. Wat hijzelf zich daarbij voorst'elt blijkt uit het directe vervolg:
„En men zegge niet, (gelijk sommigen, ook bij betuigde eerbiedige erkenning van geopenbaarde Waarheid, en bij het schitterend licht, dat juist onze dagen over dit onderwerp steeds meer en meer doen opgaan, zich niet ontzien hebben den leeftijd der Voltaire na te zeggen!) dat voorzeggingen van de val groote Rijken en Steden, ook buiten ingeving of ontdekking van hooger hand, met eene goede verwachting eener vroeg of laat noodzakelijke vervulling hebben kunnen worden uitgesproken; — dat wij zelve, bij voorbeeld, zonder vrees van groote misrekening, in een meer of min verwijderde toekomst ons den ondergang onzer tegenwoordige groote wereldsteden, onzer tegenwoordige Europeesche Rijken of Staten, zouden kunnen voor stellen, des noods in dichterlijke geestvervoering propheteeren, zonder dat daarom dergelijke voorspelling, al werd zij na eeni-
92