manifesteerde. Eenmaal mogen wij ons ontslagen achten van definitie. Geen profeten naar Jeruzalem brengen. Volgen wij slechts Isaac op de wandeling terug, van de Rozengracht via Nieuwe Heerengracht en Cordova naar Babylonië en tenslotte Palestina. Daar ook stond de wieg van zijn feilloze intuïtie, die zelfs kon voeren tot voorspellen, zo wanneer hij in geestdrift zegt: „Gij zult het zien, mijne vrienden ! Willem I zal gedetesteerd, en geen Koning meer sterven.” 144) Aan alle voorwaarden der voorzeggerij is hier voldaan. 145) Er is de fixatie, doordat de mededeling coram publico geschiedde. En wel zo duidelijk, dat de Burgemeester van Amsterdam last kreeg, om zich door geheime politie werkelijk verslag te laten geven van de personen, die ten huize van Isaac kwamen. Bovendien is de mededeling gedetailleerd, bestaande uit drie delen: a. gedestesteerd; b. geen koning meer; c. geen koning meer sterven.
Er was geen relatie tussen de voorspeller en het voorspelde en niemand (behalve dan de Burgemeester van Amsterdam in opdracht) geloofde, dat Isaac in staat was zijn voorspelling te effectueren. Tenslotte, dat hij op grond van wetenschappelijke deductie iets dergelijks zou hebben geconstrueerd, is uitgesloten.
Dit nu is de uiting van een proscopische begaafdheid, die Isaac wel eens moet hebben beangstigd, zoals blijkt uit een mededeling van De Clercq : „Da Costa voelt zich ongelukkig ook door zijn grote kennis van menschen, door zijn zien en voelen van alles." 146)
Wij denken op zo’n moment aan het magische karakter, dat zich op meerdere plaatsen in de Europese Romantiek manifesteert en dat wij zeer intensief bij Novalis ontmoeten. 147) Wijsgerige invloeden van Hemsterhuis en theosofische van Jakob Böhme lieten zich hier gelden.
Dat de aangehaalde sententie van Isaac echter onmiddellijk overgaat in de mededeling, dat hij zich als Jood ongelukkig voelt bewijst, dat hij deze kunst met zijn Jood-zijn in verband bracht. Wij komen op een eigenaardig thema, dat juist in onze tijd object werd van wetenschappelijk onderzoek van Joodse zijde. In een reeds meermalen geciteerd boek van Siegmund Kaz-
144. Naar J.C. Rullman: I. da Costa, 1915, 34.
145. Mededeling Dr. W.A. Collier, Paramaribo.
146. Dagboek, II, 233.
147. G. v.d. Leeuw, a.w., 28.
90