met Zangen. Eenmaal dit gebeurd zijnde, confronteert hij echter de begrippen staatsman en dichter en komt hij tot het essentiële punt van vergelijking: de profetische gave. Prachtig zijn beeld van de buiten adem geraakte poëet, die, in zijn mantel gewikkeld, zich in de hoek van het schip neerwerpt en zijn ogen cp de toekomst richt. Welke ? Een werkelijke, als die van Lord Beaconsfield. Ook al zou het Isaac nimmer gelukken, zelfs bij benadering, enig tastbaar „staatkundig” succes te boeken.
Het is de tragiek van Da Costa geweest, dat hij door de alge-meene constellatie in Nederland reeds in 1823 practisch werd uitgeschakeld. Zeker, hij handhaafde zich ; maar als een onmogelijke zonderling. Een man met een al te recht hoofd en twee linkerhanden. Buiten het parlement, buiten de universi-teit, buiten alles. Een gevaarlijke gek, in elk opzicht, die voortreffelijk getypeerd wordt in het Manifest tegen een eventueel hoogleraarschap, „met veel behendigheid gesteld,” — aldus Groen. 142)
Allard Pierson constateert: Isaac was en bleef impopulair. Men sprak nooit van „onze Da Costa” gelijk men sprak van „onze Tollens”. „Zijn impopulariteit lag in een zekere ongelijksoortigheid. Zijn aard was niet de aard zijns volks.” 143)
XXXV. Doch zou het ontbreken van resultaten, de schorre stem van de schreeuwende Jood minder indringend maken ? Vragen wij ooit naar practische successen bij de mannen van Anatot en Tekoa? Hier bereiken we de slotacte. In Da Costa, „dezen laatsten zoon van Israël herleefden de oude profeteën ” Profeet dus. Hoe? Keren ook wij ons in de richting der schablo-ne?
Neen, Da Costa was een profeet. Beter. Hij werd het in de laatste fase van zijn leven. Zowel naar vorm als naar inhoud van zijn grote zangen. Zowel verkondiger als voorzegger. Evenals in Benjamin Disraëli was in hem iets herleefd van het klassieke Jodendom. Dit kon Pierson aanvoelen. Hiervoor ontbrak Busken Huet het zintuig. De knappe essayist mist — om in het beeld te blijven — het lichtschip van Da Costa, als hij diens visionnaire scheppingen gelijkstelt met Van der Palm’s Vertaling van Jesaja.
Het was de eeuwigheid van de Joodse mythe, die zich in hem
142. Briefw. Da Costa—Groen, I, 197. Isaac’s opvattingen over het professoraat als sociale positie in De Mensch en de Dichter, 303.
143. Oudere Tijdgenooten, 12, 13.
89