Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Titel
Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Jaar
1954

Pagina's
114



wilgen neemt. Dan de ontnuchterende raadgevingen: „Ik heb U gezegd het zijn de Bezwaren in verzen.” 135) De religieuze motivering kan ons niet verhinderen nog eenmaal te denken aan 1823, toen de burger nadacht over zijn totale contact sedert hij met het Joodje in aanraking kwam.

De Clercq’s voorzichtigheid was overigens overbodig. 1823 en 1840 waren niet te vergelijken. In 1823 stond er (het is nog eens geschied) een moedig man op uit de Joden, die de anderen duidelijk wilde maken hoe het moest. Hij schreef een begrijpelijke taal en bedoelde tastbare dingen. Dat was verboden. Nu stond er een vreemde op, die buiten de maatschappij was gedrongen. Een berooide dichter, die......een onverstaanbare taal

sprak. Wiens schone woorden tot niets verplichtten. Wiens gebaren niet eens meer ergerden. Die men kon toejuichen zonder het gevaar te lopen zijn eigen geweten te moeten toetsen. Da Costa werd geaccepteerd, omdat hij niet meer Da Costa was. En bij de promotie naar zijn nieuwe levensfase, horen wij de genius van het volk der lage landen fluisteren: geen „Bezwaren” meer.

Waar zijn vreemde woorden allemaal op sloegen? Wat deerde het. De massa applaudisseerde. Met wat meer scrupules, met wat minder scrupules. Wat deed het er eigenlijk toe? Behalve voor de dichter zelf, die ’s avonds alleen bleef, peinsde over zijn nieuwe taak. Want ook dit succes verblindde de idealist niet. Het „vak” stelde ook thans verantwoordelijkheden en taken. Geen mindere dan het proza:

„Voor ons is de verantwoordelijkheid van hetgeen in den vorm van maatzang en taalmuziek gezegd of beleden wordt, althands geene mindere, dan wat in hare zusterspraak prosa tot hart en verstand wordt gebracht.

Voor ons heeft die poëzy nog eene andere roeping, dan dat bloo-te vermaken (delectare), waaraan de Latijnsche Dichter, bij zijne op dat oogenblik niet zeer verheven opvatting der zaak, toch nog voor het minst een nuttig zijn (prodesse) verbond.

Ja, de poëzy had, als zodanig van ouds eene bijzondere plaats en plicht in de wereld der woordvoering. Hare gave aan men-schen en last tot mededeeling van overtuigingen en waarheden aan menschen en volken.

Zelfs de ongewijde Oudheid getuigt het. Ook hare oudste Wetgevers en Volksverzorgers waren Dichters. De wijsgeeren hebben later veel geredeneerd over den besten Staatsvorm. Maar, voor zoo ver er onder de Wetgevers b.v. van oud-Grieken-

135. Briefw., 55 (21—11-1840).

83

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.