onwettig, die zich in beide, of die van het Paard, dat zich in geen van beide beweegt?" 133)
Weer is Isaac een alieenling geworden, die zich steeds eenzamer zal hebben gevoeld en geweten. Hij, die ook nu, met de onverzettelijkheid van de romanticus in hem, werft voor een toekomst, die eigenlijk niemand begrijpen kan, maar waarvan hij de werkelijkheid zo duidelijk ziet, als een burgerman de aanstaande studie van zijn zoon in Delft. Op het „terrein van poë-zy, mij aangewezen, mag de Dichter zich de bij ten voorbeeld stellen, die haar zeshoek van was niet bouwt om de schoone regelmatige figuur zelve, maar om de eetbare honing, die het hare bestemming is daarin neder te leggen.” 134)
In de Da Costa-biografie doet zich het feit voor, dat het rijpe dichterschap van zijn latere periode een overkapping gaat vormen van zijn totale leven. Het schijnt ons of hij plotseling van een bepaald hoog punt uit in staat is overzichtsfoto’s te maken, die hem zelf verassen. Wat hem altijd had ontbroken (en dit is hetzelfde:), wat hij in anderen direct miste, kwam nu te voorschijn. De eenheid. De eenheid, die hij eens bij Spinoza had gezocht. Het scheen alsof alle onregelmatigheden nu hun schaaf hadden gevonden. Er was een levensvorm gecreëerd, die eindelijk voldoende waarborgen bood voor onaantastbaarheid. De levensbeschrijving van Isaac da Costa zal de biografie dienen te zijn van een Joods-Romantisch dichter. Al het andere blijve hieraan ondergeschikt.
Een dichter mag veel — zo niet alles. Hij mag in Nederland blijven mijmeren over Portugal. Al blijft De Clercq ook thans waakzaam. Aan deze Oosterse gloed zal Willem zijn vingers niet branden. De Clercq’s falen op dit moment getuigt van een ontstellende liefdeloosheid. Twee maal gedurende zijn leven zou Da Costa iets „verdienen”. In 1839 een plaats in de Tweede klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten. Een paar jaar later (in 1844), een handdruk van zijn Koning. Toen het Koninklijk Instituut door Thorbecke werd opgeheven en vervangen door een ander werd Isaac niet eens herkozen. Nu is het in 1839 eindelijk zover, dat de Jood erkenning krijgt. Voor hem zelf van zo grote betekenis, dat hij—na twintig jaren ongeveer — de lier van de
133. K.D. 836.
134. K.D. 860.
82