Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Titel
Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Jaar
1954

Pagina's
114



wijten kan!......Wat U betreft, broeder, aan de welgemeende

liefde die gij mij toedraagt, twijfel ik nimmer. Doch sedert 1824 reeds was Uw huis zoodanig ingericht dat er voor mij en de mijnen zelden plaats was.” 132)

Isaac twijfelt niet. Wij des te meer. Onbarmhartig deze ontboezeming. Onhandig en zielig zo’n arme Jood naast de rijke Calvinist die het ver bracht in de tot de dag van vandaag judenreine Handelmaatschappij. Zou Isaac dat nooit hebben gevoeld? Ondenkbaar. Een vlucht naar de eeuwen kan nu eenmaal niet gedacht worden zonder begeleidende moeilijke, economisch moeilijke jaren. Er is ook een maatschappelijk drama-Da-Costa.

XXXII. De eeuwen. Zijn zoveelste vaderland. Na Spanje en het Israël van het Westen. Kan men daarin leven? Isaac stelt het anders. Waar kan men anders leven, als zelfs de meest fictieve realiteit op aarde ontoegankelijk wordt voor de ziel. En zijn dichterlijke praktijk stelt terstond een andere vraag daarnaast: wat moet men er doen? Hier ligt de kern van, wat in steriele bloemlezingen tot vervelens toe is gaan heten: Da Costa’s profetendom.

Zijn mededelingen, juist op dit punt, zijn talrijk. In de inleidingen van zijn „politieke” verzen spreekt hij zich vaak en duidelijk uit. Hij voelt zich in zijn nieuwe wereld toegerust met een hogere opdracht. Wat in het proza rede heet, dat is in de poëzie de blik, de visie. Voor haar eist hij in het vervolg de nodige aandacht op:

„Aan de poëzy de als ware het instinctive blik in de combinatiën en harmonyën, waarvan de wezenlijkheid vast staat, eer wijsbegeerte of natuurlijk verstand er nog reden van mag geven. Zoo zag Goethe, als jeugdig Dichter, de wereld in zijnen Götz van Berlichingen vroeger en (naar zijn eigene bekentenis) beter, dan toen hij ze bij eigen ondervinding en studie als man van de wereld, als Staatsman, als wijsgeer, leerde kennen. Waar-deeren wij elk element des geheels naar zijne eigene inrichting en bestemming! Gunnen wij aan een iegelijk der menschelijke vermogens zijne vrije werking en beweging naar zijnen aart! Anders werkt op het vorstelijk schaakveld Koningin en Toren, Raadsheer en Ridder. Maar omdat de wet op dit gebied aan den loop van het Kasteel de rechte, aan dien van den Raadsheer de schuinsche richting voorschrijft, is daarom die der Koningin

132. Briefw. De Clercq-Da Costa, 42 (5—6—1837).

81

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.