Er is over hun vriendschap zo veel aandoénlijks al gezegd, dat wij haar gerust eens aan de feiten mogen toetsen. De Clercq hindert ons — juist in deze jaren — door zijn burgerlijke bedaagd-heid. Hij is bang voor de Bezwaren, bang voor Da Costa, bang voor zichzelf. Hij, de Christen, wil wat van deze wereld, die Da Costa al lang had vergeten, met haar geld, dat hij, de Joodse bohémien, met zulke grote, geopende handen wegwierp, dat het de aandacht van Wiselius had getrokken, die in buur-vrouw-Nederlands denkt: Waar doet hij het van. „Da Costa leeft zeer luculent, ofschoon men weet, dat hij een zeer geborneerd vermogen heeft.” 124) Da Costa en de centen. Een probleem op zichzelf. Hij kon beter Goethe doorzien, dan beoordelen, hoeveel hij in de retoufwagen naar Zeist moest betalen. 125) Hoort hem preken.
„O ik weet het maar al te goed, het geld is eene magt, eene groote magt in deze wereld, maar op welk gebied? Alleen op stoffelijk gebied, daar buiten heeft het geene kracht. En hoe wenig kracht heeft het zelfs op dat gebied, hoe weinig zegen verspreidt het rondom zich! Hoe menig kantoorbediende op een groot kantoor zwemt van zijne jeugd af alle zijne dagen als in eene zee van geld, en heeft er niets meer van dan de zwemmer van zijn zwemmen in den breeden stroom. Slechts enkele druppelen waters, die hem de huid verfrisschen, en de verloren veerkracht bij hem herstellen, opdat hij opnieuw met versche kracht zijn werk kan doen. En de rijken zelven, wat zegen brengt de groote dienst der wereld (de mammondienst) bij hen aan? Ach, hoe menige rijke moet het ondervinden, dat het meest voor hem begeerlijke niet door geld te verkrijgen is: een kind uit zijnen echt, een erfgenaam voor zijn vermogen, eigene gezondheid of van de zijnen, om niet te spreken van den dood, die niet is af te koopen, en die toch de voornaamste zaak is naast het leven. Waarom dan zoo veel aan het geld gehecht, waarom zoo driftig naar het bezit er van gejaagd, alsof het geld het een en alles ware voor den mensch? Gij kunt er niet gezond door worden als gij ziek zijt; gij kunt er niet gelukkig door worden als gij ongelukkig zijt.” 126)
Nee, met geld kon De Clercq beter omspringen. Dit is niet onbelangrijk, ook niet voor de latere historicus, die beide figuren tegenover elkander plaatst. De romanticus en de burger. Hier liggen nog andere scheidingslijnen in het levensvlak. Hier 124 Naar G. Gorris: J.G. Ie Sage ten Broek, II, 1949,51.
125. Dagboek, 11,200.
126. Bijbellezingen, 207.
78