Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Titel
Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Jaar
1954

Pagina's
114



van Joodse problematiek. Dat wisten wij ook zonder deze openhartige medeling van Willem de Clercq. Een onderzoek naar alle aanvallen op de brochure (een mooie scriptie voor een can-didaat), zal het zonneklaar uit de doeken doen. Zelfs al de eigenaardige overgang van de term „Bilderdijkianen” naar die van „Da Costianen” is leerzaam. Wat is dit anders dan het scherper stellen van de tegenstellingen, door ook in de naam (toch al vreemd, ook al kunnen wij ons dit nu moeilijk voorstellen) aan te geven; „waar bemoeit die Jood zich mee.”

Wat echter in de lijn van onze stelling belangrijker is, hoe stond Isaac tegenover deze publicatie? En — in een later stadium — hoe reageerde hij ?

Goethe vertelt ergens 122) de sage van de „Jude mit dem Probier-stein,” de legendarische figuur van de Joodse goudsmit der Middeleeuwen, die later symbolisch werd voor „die intellektuelle Redlichkeit und Unbestechlichkeit der Jüdischen Wahrheitsfor-scher.” De Jood, de eeuwige non-conformist, die niets onechts voor echt laat doorgaan. Het critische geweten der volkeren en daardoor vooral in het moderne anti-semitisme tot de „zer-setzende Kritiker” geworden, in totalitaire landen geschuwd als een besmettelijke ziekte..

Ziedaar Da Costa ten voeten uit, althans in deze jonge jaren. Wat deert hem? Hij zal het Christendom met hamers in harten slaan. Hoort hem. Het is alsof de woorden uit de bladzij steken. „Meent gij dit?” zegt op zekere dag Professor Simons. „Mijnheer” — aldus Isaac — „weet nu eens en voor al, dat wat ik zeg of schrijf, ik het altoos meen.” 123)

Als de eerste stroom van protesten nog niet is gestuit, een nieuwe mokerslag: De Sadduceën. Met die aangrijpende Paulinische woorden aan het begin: „Ben ik dan uw vijant geworden, u de waerheyt seggende?” en „Indien ik nog menschen behaegde, so en ware ik geen dienstknecht Christi.”

De Nederlandse wereld van zijn dagen zou hem inderdaad tonen, dat hij haar vijand was geworden. En hoe. Zijn deur werd bewaakt. Jaren nog daarna gold hij als staatsgevaarlijk. Er was, behalve dan Bilderdijk en diens naaste allerkleinste groepje niemand die de beeldenstormer accepteerde. Ook Lucas Egeling niet, die al in 1822 niet veel met die drie Joden ophad. De Heren spraken hem te rad. Die eeuwige onhebbelijkheid ook. En wel allerminst De Clercq.

122.    S. Kaznelson: Beethovens ferne und unsterbliche Geliebte, 1954,111.

123.    Dagboek, 1,211.

77

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.