op, dat het Christendom toch nog iets anders was, dan het Christendom van Mr. Willem. Da Costa kon voor de hier in het geding zijnde nuances geen begrip hebben. Hem ontbrak traditie.
Het moet uitgesloten worden geacht, dat in dit stadium reeds deze gedoopte Jood iets zou hebben kunnen voelen van het wezen van het Calvinistische volksdeel van Nederland. Evenmin als dit van zijn kant iets kon begrijpen van de dwaze grillen van die neo-Protestantse Portugees. Kortsluiting aller-wege. Met de daaraan verbonden schokken en gevolgen. Zo ingrijpende gevolgen, dat men historisch moet vaststellen, dat daarna de eigenlijke activiteit van de profeet van het Christelijke Teisterbant heeft opgehouden. De Da Costa-biografie wordt — wat haar eerste deel betreft — begrensd door twee ca-tastrophen, die voor zijn 26ste levensjaar hun voltooiing vonden. De Joodse van 1822, de Christelijke van enige jaren later. In 1823 en 1824 kwamen kort na elkaar de Bezwaren en de Sad-duceën. Tomeloos felle brochures, die, veel fanatieker dan Bil-derdijk ooit had gedaan en zelfs gedurfd, Nederland nu eindelijk moesten leren wat Christendom was. De non-conformist moet versteld hebben gestaan van de reactie zijner vrienden. Willem de Clercq is wel ontnuchterend:
„7 Augustus (Donderdag). Ik kwam des avonds thuis, en was bij mijne vrouw gezeten, nadat ik rijpelijk nagedacht had en mij bezwaard had gevoeld over het verschijnen van het boekje van da Costa (Bezwaren tegen den geest der eeuw), dat ik echter nog als verwijderd beschouwde, toen Mietje binnenkwam en mij met het kompliment van Mijnheer da Costa het boekje overhandigde. Op eens dacht ik nu: de bliksem is gevallen, en het grootste gedeelte van den avond is met beschouwingen over deze zaak voorbijgegaan en over al het gebeurde sedert mijn oom Jan tot mij zeide: „En dan heb ik een Joodje, dien moet gij leeren kennen.” Ik heb God om kracht en moed gebeden en Hij heeft mij ook reeds moed gegeven. Als Christen en vriend mag ik hem niet verloochenen en daarentegen mag ik ook mij en de mijnen niet in onaangenaamheden wikkelen voor gevoelens, waarvan sommigen de mijnen nog niet zijn. Mocht ik toch maar waarachtig Christen zijn, dan kan ik in niets zwarigheden zien. Morgen gaat het strijdperk open, en moge ik den strijd niet pro-
voceeren, maar gerust afwachten......”......” Ik moet, door eene
anderdaagsche koorts aangetast, stil t’huis blijven......” 121)
Uiteraard werd de „Bezwaren” terstond een aangelegenheid
121. Dagboek, I, 208. 76