Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Titel
Martelgang of cirkelgang (over Da Costa) (zw)

Jaar
1954

Pagina's
114



Het scheen afgelopen. De Babylonische vloten, eenmaal in Phoe-nicië van wal gegaan, waren op de Merwede gestrand. Er gloeit niets meer. Totdat eindelijk — nadat de man in hem is ontwaakt, dus na zijn veertigste — de „koorts” — letterlijk heeft hij het zo genoemd — hem grijpt en hij in „een paar uur” een vers schept, dat van betekenis is. De „oproeping” had plaats „geheel van buiten in hem.” „Hij voelde er het na- en voordelige van, doch stond er vrij in.” 120)

Vrij, eindelijk. Vrij, waarvan? Het hoge woord eruit! Innerlijk vrij van het Christendom en opgenomen in de dichterlijke Joodse fictie. Daarom ook is de litterair-historicus, die werkelijk de Vijf en Twintig Jaren leest, één ding volkomen duidelijk: De breuk van 1822 is hersteld door het contact met de bronnen van zijn jeugd. Er is slechts één slagader, er is slechts één hart. De analyse van de aanhef der Vijf en Twintig Jaren overtuigt. De zwijgende periode wordt afgesloten en de lente voorgoed vaarwel gezegd. De harp van Isaac’s stam heeft „wisseling” gekend. Sion, Euphraat, Cordova en Lisboa — dan Amsterdam. De lijn wordt consequent doorgezet tot de „zoete boorden des Amstels.” Dan de hoek om en we zijn weer aangeland op de Nieuwe Heerengracht. Zal de „mesjoemad” toen niet hebben gemerkt, dat de deur van zijn vroege jeugd wel al te zwaar gegrendeld was. Hij stond op straat en wist niet eens waarheen. Want voor dichterzielen bestaan geen stratengidsen. Toen vloog hij, zijn Muze achterna, eindelijk voor goed de werkelijkheid uit. Om in de baan der eeuwen te zoeken, wat hij nooit meer zou vinden in de straten van Amsterdam en wat hij zeker niet had gevonden in de school van Bilderdijk: zichzelf.

XXXI. Hoe? Niet gevonden in de school van Bilderdijk? Wij raken het probleem der jaren 1823—1825, het tijdperk, dat wij bedoelden in die ene, ook door Professor Caron zo gewraakte these, als stelling IV verbonden aan ons proefschrift:

„In de ongewoon-scherpe toon van de Bezwaren tegen den geest der eeuw manifesteert zich Da Costa’s innerlijke onmacht het Calvinisme te propageren.”

Ter verdediging het volgende:

Was Da Costa na 1822 als dichter murw, als Christen-theoreti-cus moest hij zich wel uitermate vreemd weten tegenover het Nederlandse volk. Zeker temidden van een zo wonderbaarlijke groep als die van de Bilderdijkianen. Vroeger wezen wij er al

120. Dagboek, 11,215.

75

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.