IV.
De genen, die zeggen dat de verschijning van eenen Messias een Israëlitisch denkbeeld is, zeggen alleszins waarheid in dien zin, dat zij is een denkbeeld van God, toebetrouwd gedurende eene reeks van eeuwen aan het volk van Israël, — maar ook van uit het midden van dat zelfde volk, ingelijfd en ingeweven in geheel de wereldgeschiedenis.
V.
De Christelijke kerk mag zich in acht nemen, om, terwijl zij aan de verklaringen van Gods Woord met betrekking tot Israël een anderen dan den klaarblijkelijken zin van hare duidelijke letter tracht te geven, ten slotte niet te vallen in dezelfde wijze van opvatten en verklaren, waarop het Rationalismus gewoon is te werk te gaan tegen elke waarheid, die niet behaagt aan de wijsheid van het vleesch of aan de valsche wetenschap der eeuw.
VII.
Indien de oordeelen Gods gedrukt hebben, en nog werkelijk voortgaan te drukken, op het volk dat zijnen Messias verworpen heeft, in eenen geenszins mystischen of zinnebeeldingen, maar allezins tastbaar letterlijken, allerwezenlijkst historischen zin; wie geeft ons het recht om van de letterlijke opvatting af te wijken, zodra het geldt de wederaanneming en wederherstelling van datzelfde volk van Israël?
XIX.
Hebben de Gemeenten des Heeren uit de volken, hoe gezegend en bevoorrecht ook sedert achttien eeuwen, evenwel ten allen tijde niet eene ledigheid en onvolkomenheid ondervonden, het gevolg der afwezigheid van het oudste volk in het gezin van den Koning der natiën?
XXI.
Het is tijd, dat de Christelijke kerken, dat de Christennatiën aan hunne schuld jegens Israël gedachtig worden.
XXII.
Het is tijd, dat de Christenen van allerlei natie en van allerlei benaming, ingeënt op den goeden olijfboom van Israël, zich beijveren hun Amen uit te spreken op de beloftenissen Gods aan Zijn oude volk!
111