len de gevormde krachten van het worden aangeven — bestemd zijn tot uitbeelding van het hogere zijn. De hoogste eenheid, waarbij ieder getal ophoudt, is God.
Ook in zulke gedachtengangen, die gedurende de Romantiek populaire debat-themata moeten geweest zijn (ook in Nederland; wij denken aan Bilderdijk) overheerst de polariteit.
Zin en tegenzin — en daartussen het indifferentiepunt, dat beiden verenigt. Om deze drie punten „draaien” de verschijnselen, al naar gelang de letters, die toch de dingen vormen, zich groeperen en hergroeperen. Alles in één onophoudelijke kringvormige beweging. Een bont spel van 32 grondbeginselen (10 getallen en 22 letters) begint, waarin de merkwaardigste combinaties mogelijk blijken. Van de getallen beheerst vooral 3 het zichtbare zijn, dat „in wereld of ruimte” (1), „in jaar of tijd” (2), ,,in ziel of geest” (3) uiteenvalt.
Isaac werd door dit soort speculaties sedert zijn jeugd beheerst. Zij obsederen hem in die mate, dat Willem van Hogendorp hem in 1819 een „oprecht Kringenfilosoof” 171) noemt. De drie-eenheid boeit hem zo, dat hij op anderen wel eens de indruk kon maken van een Katholicerende.
De Joodse bronnen heeft hij uiteraard niet in hun origineel gekend. Voor iemand, die zelfs het bijbelse Hebreeuws niet machtig was, moeten de ongewoon lastige en nauwelijks verstaanbare zinsneden der Kabbala welverzegelde kasten zijn geweest. Wat hij erover citeert is ontleend aan vertaalde, en dan dan nog dicht bij de hand liggende, bronnen. Eenmaal haalt hij Rabbijn (!) Salomon ibn Gabriol aan en wel diens „Kroon des Koninkrijks” dat voorkomt in de liturgie van de Grote Verzoendag. Op de vleugelen van zijn dichterlijk-wijsgerige intuïtie doet de vertaling wat gewild aan. Maar dat mag niet hinderen. „Gij zijt één, het begin van alle getal, en de Grondsteen van alle gebouw! Gij zijt Eén, en in de Verborgenheid van Uwe Eenheid verliest zich alle de wijsheid van den wijsten mensch.” 172)
171. Dissertatie, 138. Het begrip „kring” is de vertaling van het Kabbalistische begrip „Sefira”, dat met de stam „tellen” samenhangt. Tezelfdertijd suggereert het woord een samenhang met het Griekse „sfeer”. Müller 15.
172. De Sadduceën, 64. Ook de bestudering van Gabirol wijst in deze richting. De titel „Kroon des Koninkrijks” betekent in mystieke zin niets anders, dan dat het begrip „kroon” (= keter) de hoogste sfeer aangeeft, die ongescheiden en onscheidbaar in het oneindige (= en sof) overgaat. Terwijl „koninkrijk” (=
106