Zal ’t jonger werelddeel Europa blijven leeren om vrijheid, orde en licht naar ’t Westen zich te keeren? Werd voor ons nakroost daar de vrijheidseeuw gebaard? Of zal ’t, een vrijheid wars, te ras in dwang ontaard, eer vluchten in zijn angst bij ’d Arend van het Noorden, waar, bij het somber licht der scheemrende IJszeeboorden de zoon der Westerkust den Oosterling ontmoet, en ’t vrije America ’t vrijmachtig Rusland groet?”
In zijn brieven ontmoeten wij Da Costa in deze fase als een man, die leeft uit en in zijn gedichten. Hij citeert zijn eigen zangen met de weloverwogen zekerheid van een politicus, die op zijn rapporten wijst. Profetische controle van het wereldgebeuren. „Intusschen is er een onnauwkeurigheid ingeslopen, die ik wel zou wenschen dat in De Nederlander gerectificeerd kon worden. Ik heb de vierhonderd jaren der Turksche sage niet gerekend van 1456 tot 1856, maar meermalen de ware dagteekening der inneming (Aol453) herinnerd, en het begin der vervulling geacht in 1853, als zijnde het tijdstip van het ontstaan van dezen oorlog.” 159)
Is de dichter bang voor al dat sombere? Nee, het schijnt of hij er zich in thuis voelt. Ook de Clercq „wil de donkere tijden van het heden niet ruilen voor de geruste van 1710—1730”.
Er ontstaat een stemmingsbeeld, dat nadere bestudering ten zeerste behoeft en dat te vele facetten vertoont, om in dit essay uitputtend behandeld te worden.
Wat echter een ieder direct opvalt, dat is de opmerkelijk frisse wind, die door Da Costa’s politieke denkbeelden waait. In de profetische onzekerheid wordt hem —die werktuig is van Gods stem — ook alles onzeker. Welke extreme standpunten zullen botsen, zegevieren, te licht worden bevonden. Geen vaste verworvenheden. Waartoe? Hij, de berooide dichter behoeft ze immers niet. Hij is arm genoeg om door theorieën over rijkdom heen te zien. Conservatisme, Liberalisme, Anarchisme, Communisme, Socialisme, wat rijmen ze gemakkelijk in de giftige staarten van zijn hortende verzen.
Het beeld van de eschatoloog, dat uit dit alles te voorschijn treedt verbaast ons niet: het is, als steeds in de geschiedenis, revolu-tionnair gekleurd. De apocalypse, ook voor hem „het apriori van
159. Briefw. Da Costa—Groen, II, 357.
100