alle politiek en cultuur”, 160) stempelt Isaac tot een dier figuren, die de Oosterse geest van de vroege Romantiek tot diep in het Europese geestesleven hebben doen doordringen. Met alle anti-traditionele consequenties. In Da Costa lag de aanleg van een barricadenstrijder.
Tussen Friedrich Julius Stahl en Karl Marx (eschatoloog en apo-calypticus bij uitnemendheid) staat hij als één van die talrijke negentiende-eeuwse Joden, die het maatschappelijke toneel dier dagen hebben beheerst. Die er het ferment van gisting hebben gebracht, dat tot vernieuwing leidt. Fijn gevoel voor deze nuances verschafte Da Costa een brede visie op een algemene historische roeping van het Oude Volk, dat ook in Nederland zijn kinderen uitzond naar de uiterste polen van alle partijschakeringen. Van anti-revolutionnair tot anarchist — van dogmatisch marxist tot ultra-liberaal. Van Da Costa tot Alexander Cohen, van David Wijnkoop tot A.C. Wertheim. Extremisten, zuiveraars, puriteinen en ketters. Kinderen allen van dat wonderlijke volk, dat ook daarom moest lijden en nog lijdt.
Hier — in zijn Joodse affiniteit — ligt de kern van Da Costa’s o-genschijnlijk verassende wendingen, waarvan een enkel symptoom nu en dan werd gesignaleerd. 161) Zo naar aanleiding van zijn aanvankelijk niet geschokt zijn door de gebeurtenissen in 1848. Zijn ingenomenheid met Lamartine (de dichter van zijn jeugd) en de Joodse staatsman Crémieux. Het bloed kroop waar het niet gaan kon. Beiden, Lamartine en Crémieux zijn hem broeders. Lamartine, dan geen Jood, in elk geval een dichter. Zo bezeten is hij van dit alles, dat hij als het ware iedere belangrijke figuur wil annexeren. En het verbaast ons nauwelijks, dat Da Costa zelfs Aeschylus „verjudet” en duidelijk maakt, dat deze Griek vooral Joodse vertalers heeft aangetrokken. 162)
„Van mij, Israëliet die ik ben van afkomst en aanleg, zal het niemand bevreemden, als ik hier bij herhaling te kennen geef, dat hetgeen mij zoo vroeg en zoo sterk in den Dichter van de Perzen,
160. K.H. Miskotte: Messiaansch Verlangen, 1941, 157. Vgl. voor de verhouding Jodendom en Revolutie ook Berdjajew, Der Sinn der Geschichte, 1925, 143, 144.
161. D.A. de Graaf, zie Noot 2.
162. K.D. 727. Ook het schaakspel, dat hij beoefende, ziet hij als een Joods spel. Zie Israël en de Volken 170. De typische eigenaardigheid — nog bij Joden te constateren — om zich bij iedere grote prestatie af te vragen, of de scheppende figuur niet „een Jehoede” is, was Isaac bij uitstek eigen.
101