Daarheen! van waar het eerst die versche klank van,,Vrij” Euroop doordaverde. Daarheen! wie lucht en leven behoeft, wie boven stof en maatschappij wil zweven, op meiren oeverloos, op bergen sterrenhoog, op velden, eindloos vlak en ’t onbeneveld oog door geene oneffenheên beleedigd. Daarhenen!
Wie van historie en ruïnen zich kan spenen
voor enkel menschheid en natuur; —wie arbeid wil,
’t zij voor een bete broods, die slechts den honger still’, hetzij om overvloed en schat. Rukt uit de pinnen van de Europesche tent, wie God en vrijheid minnen!”
De uiterlijke vormen, waaronder de Apocalypse zal plaats vinden, doen bij Da Costa klassiek-bijbels aan. Vulcanische elementen treden naar voren, als de Vesuvius. „De Alpen spogen vuur.” Het is alsof de natuur zich met de maatschappij gaat occuperen:
„Uw moederschoot heeft nog den vuurberg niet verslonden wiens ingewand van ’t zaad des opstands woelt en blaakt; en, schoon het ook niet steeds de lavavloeden braakt, zijn gisting toch verraadt in trilling, rook en steenen die ’t oprispt! — Zij de krijg der volkeren verdwenen; de kiem werd niet gesmoord, maar kruipt en woelt in ’t
rond,
en dreigt als tijdgeest meer, dan ze ooit als krijg bestond.”
Aardbevingen worden gesuggereerd. Alles wankelt. Zelfs appelleert de Amsterdammer aan de in letterlijk opzicht wankele bodem, waarin de palen zijner moederstad worden geheid.„Vas-tighêen gebouwd in schuddende moerassen.”
De windrichtingen 157) — ook zij aanvaarden hun functie. Het magische Noorden speciaal, dat soms alleen voorkomt en eenmaal bewust wordt weggelaten, als de drie anderen worden genoemd. Het Noorden heet „streng”, het „spookt” er, „kille dwangzucht” heerst er. Opmerkelijk de profetie over de ontmoeting van Amerika met Rusland, 158) „de Arend van het Noorden”:
„En nu! de tijden spoên! Wat is er van den nacht, o Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht?
157. Voor windrichtingen: K.D. 517 (geen Noorden); voor Noorden, 509, 527, 700.
158. K.D. 526.
99