„......Sloping !
„zou ’t antwoord wezen (roept een stem), of zaagt ge niet „de hand reeds aan den muur, die ’t Europeesch gebied „ten prooi vervallen schreef aan ’t oude Vandalisme,
„als Meed en Pers vereend met bloedig Communisme? „Zaagt gij den vinger niet bij ’t feestbanket, die aan „den vier en twintigsten der Februarijmaan „het sein tot oopning gaf der sluizen? en beneden „uit d’afgrond spoten ze op om nooit te rug te treden,
„de waatren van die vloed, slechts voor een wijl gesust!...
Hij is angstig:
„Moet dan de vraag in bloed weêr opgelost? de twisten
die in de Wetenschap als in de boezems gisten,
door ’t vallen van de bijl weêr doorgehakt? — die vraag
zoo diep zoo roerend, en ontroerender gestaag,
der Maatschappij gesteld: Wat wordt er van Uw Armen? —
Het Evangelie roept: Eens Heilands vol erbarmen!
Het Communismus eischt: Door mij het evenwicht!
De Revolutie dreigt: Aan mij het eindgericht!
En op dien laatsten galm rinkinkelen de ketenen der moorders in hun hol, volwaardig te verrekenen met heel de maatschappij, en vragende inkt en bloed voor de aanklachtsacte, die zij voeren in ’t gemoed.
Over de Noordzee gaat zijn profetische blik:
„Een legerkamp weldra wordt half het Vasteland, terwijl aan de overzij Repealers en Chartisten hun echo mengen aan den roep der Communisten.”
Maar nog verder en nog grootser. Hij, de Jood, peilt Amerika’s toekomst:
„America daagt op, bewelkomd steeds met kreten, maar andre, als toen Colomb, van golf op golf gesmeten, in t’ eind haar kust omhelsde, en ’t hem verschenen land verzekerde aan de Kerk en Koning Ferdinand!
Onze eeuw, sints tachtig jaar, ziet aan die Westerstranden met heilverlangend oog, met uitgebreide handen, een andren glans van roem, een andre ster van hoop voor ’t oude en afgetobde en overvolle Euroop!
Des werelds loop keerde om. Dat Westen werd ons ’t Oosten eens heiltijds, die onze aard van al de smart moet troosten, geleden eeuw aan eeuw van de oude Dwinglandij!
98