Zo alles, wat wij zagen, een zin heeft gehad dan is het toch wel deze: Dat al de Joodse geslachten vergeefs hebben geleefd, indien wij niet het spoor zouden hervinden, dat zij in vreugde en leed nimmer vergaten.
Wel zal ons het volgen» daarvan moeilijk zijn. Want wij zullen dit Amsterdam, nooit, nooit kunnen vergeten. Maar mogen onze kinderen, die dit Ghetto nimmer hebben gekend, groot worden in een wereld, waarin een ruige Joodse jongen met handen in zijn zakken zal fluiten, als de Meimaand komt in het land.
Avond en herfst bepaalden onze stemmingen in het oude Mokum. Ochend en lente mogen het symbool zijn van een nieuwe jeugd in een nieuw land, een nieuwe tijd.
Aan U Joodse Ouders van Amsterdam, die met mij de straten van dit Ghetto zo intens hebt liefgehad, draag ik dit boekje op. In de zekere verwachting, dat onze kinderen zullen spelen in de vrije steden van Juda en de vreugdevolle straten van Jeruzalem.
Rosj Hasjana — Pesach 5708.
153