Wel weinig zullen de groot-industrieel en de jonge socialist, die elkaar op de hoek van het plein ontmoetten, zich ervan bewust zijn geweest, dat tussen hun beider geestelijke gedragslijn de eens zo beroemde Amsterdamse Gemeente reeds tegen het eind der vorige eeuw vernietigd werd.
Het ontbindingsproces der Emancipatie naderde in onze eeuw haar volmaking. Het Amsterdamse Jodendom was geestelijk reeds in staat van ondergang, alvorens de werkelijke catastrophe genaderd was.
De oorlogsjaren hebben dit proces hoogstens verhaast. En zij verleenden aan de finale bovendien die wrede bijsmaak, die ons bewust wordt na al onze wandelingen door de verdwenen Jodenhoek.
Avond over Amsterdam. Lichte wolken in de prille lente. Af' scheid van het Ghetto.
In de maanden October en November van het jaar 1944 heb ik in Belsen op verzoek van enige vrienden een serie lezingen gehouden over de Jodenhoek. In Barak 17. Die der diamantbewerkers.
Zeven malen heb ik daar het woord gevoerd. Wandelende door een nog vreemder, nog verlatener Amsterdam, dat wreed-beto-verend te voorschijn trad boven het droeve zwart der uitgeteerde geesten. Ook toen begonnen wij bij de Montelbaan, ook toen eindigden wij op dit plein.
Nog zie ik de stampvolle barak. Onwezenlijk lange rijen. Resten van een Joodse groep, ons meer dan welke ter wereld lief.
Op die avonden wist ik niet, dat wij het heimwee cultiveerden naar een wereld, zo verpletterend arm — zo vernietigend leeg — zo hopeloos ontwricht.
Vanavond ben, ik me dat al te zeer bewust. Wekenlang gingen wij door historie. Op paden te zwaar van liefde en verdriet om rechtop te blijven. Struikelend en strompelend door het Joodse wonder van Amsterdam — temidden van ruïnes en stenen muren.
Zoekend naar de horizont van ons verlangen. . ..
Welk verlangen?
152