Midwinter 1870 komt de eerste diamant in Amsterdam. Een ongekende weeldeperiode breekt aan. In 1872 ontvangen 1200 werklieden 7 a 8 millioen aan loon. Alles wendt zich naar het „vak” Hele klassen verlaten het Seminarium aan de Rapenburgerstraat.
De tijd der O.W.-ers neemt een aanvang. Overdadig cafébezoek. Overdadige maaltijden. Men „doet” aan muziek. Koopt piano’s. Wordt lid van „Artis” — een hele eer.
Prachtig heeft Henri Polak deze periode beschreven. 3)
„Het geld moest weg en het ging weg aan de meest smakeloze, wanstaltige dingen, de aan geen weelde gewoon zijnde „Kapers” aangesmeerd door handelaars en winkeliers, die dientegevolge nog meer dan de „Kapers” zelven profiteerden van de Gouden Tijd. ’t Allereerst werden nieuwe meubelen aangeschaft; men treft ze nog aan in de huizen der voormalige „Kapers”, of als erfstukken in die hunner kinderen.
Het waren mahoniehouten abominaties, met rood trijp beklede stoelen en canapés (tête-a-têtes genaamd), zorgvuldig met „hozen” overtrokken, zilverkasten (Bonheur de Jour geheten, de hemel weet waarom), versierd met onmogelijk beeldhouwwerk, linnenkasten „van binnen massief eeken”, waarin werd opgeborgen het familie-linnen en de damasten tafellakens (deze vooral), die met hunne in-geweven landschappen, hertenjachten en arabesken de trots der slijpers-vrouwen uitmaakten.
3) Citaat bij Heertje pag, 38, ontleend aan H. Polak. De strijd der Diamantbewerkers, 1896
Kijkje in een oude diamantslijperij