Kniertje, oer-Hollantlse, die slechts gestalte verkreeg door de echte Jiddisje Memme: Esther de Boer van Rijk.
„Sjabbes”
Maupie en Zelik kwamen zowat tegelijk binnen. Maupie was niet Sjoele geweest door de Sjabbes-drukte en door den laten afloop van een veiling-van-de-marine.
Lichten in kamer brandden in feestlijk ontvang, lichten op luchters naast schoorsteen, licht in hanglamp boven de tafel. Aromen van koekerigheid, soepwasem, vetgesputter, roesden loomzwaar op de warmte van kachel, ’t fijn-dradig stoomen van een van de lampen.
Zelik en Maupie trokken de jassen uit, kwamen in hemdsmouwen aan tafel zitten, bei met de hoeden op. Moeder door Bekkie geholpen, schoof bij, vlak bij de koperen kachel, Bekkie droeg stoof aan.
Over haar, Maupie, handen gevouwen bij ’t licht van de lamp, glad van gezicht met bruinig gedrab aan de mondhoek waar sigaar had gesabbeld. Krachtige bruine buigneus had toetsen van melklicht, lippen smalden in vrindlik ge-pruil. Oogen vaagden in scheemring van hoedrand, zwart fantasietje, dat nauwelijks drukte het hoofd door ’t barstig gebos van het haar, zwart en dik, aan de slapen lichtlijk gepeperd door haartjes als witgaren pluisjes. Zelik, aan zijde
Ghetto-interieur